XVII – 10

XVII – 10

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het tiende deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Amsterdam, 19 januari 1759

Anna van Riebeeck had gisteren, op bijna tachtigjarige leeftijd, haar laatste adem uitgeblazen. Ze was geboren in rijkdom en tijdens haar opvallende leven nog veel rijker geworden. Deze schatrijke dame, kleindochter van Jan van Riebeeck had tijdens haar leven de halve wereld over gereisd, van Batavia naar Ceylon, weer naar Batavia, naar Kaapstad, de stad die haar opa had gesticht, en toen voor het eerst in haar leven naar Holland, naar Amsterdam. Het was deze gure januaridag dat een tweetal mannen bijeenkwam in haar woning aan de Herengracht 450.
Het waren de oude en statige notaris Cornelis Geurtzen en Herman Wassing een dertig jaar oude huisvriend en vertrouweling van de weduwe Van Riebeeck. Beide mannen waren in stemmig zwart gekleed en droegen een gepoederde pruik die bedekt werd door een driesteek, maar die namen ze stemmig af zodra ze het huis van de overledene binnen gingen.
Het was al laat in de middag en het lukte de zon niet door de dikke sombere wolkenlaag heen te schijnen waardoor het al vroeg donker was. In het licht van een paar olielampen en kaarsen begeleidde de notaris de vertrouweling naar de werkkamer van de overledene. Achter haar schrijftafel, de inktpot en schrijfveer nog gereed staand alsof de oude vrouw Van Riebeeck elk moment haar schrijfwerk kon hervatten, stond een klein kastje. Met een groots gebaar haalde de notaris uit zijn binnenzak een sleutel en opende plechtig het eikenhouten meubel.
Herman Wassing strekte nieuwsgierig zijn nek om beter te kunnen zien wat er in het kastje lag, maar behalve een dikke verzegelde envelop was het leeg.
Terwijl hij de envelop pakte en achter de schrijftafel plaats nam, gebood de notaris Herman Wassing te gaan zitten.
‘We wisten beiden dat deze treurige dag zou komen’, doorbrak notaris Geurtszen het sombere zwijgen.
‘Ja, het is heel triest’, verzuchtte Herman met een dikke keel van ontroering. ‘Maar ze was al op leeftijd.’
De notaris humde instemmend en vervolgde: ‘Ik zal nu de enveloppe openen zoals mevrouw Van Riebeeck het wenste.’
Wassing knikte beleefd zijn hoofd. Hoewel hij al jaren vertrouweling was van de weduwe Van Riebeeck, had hij slechts een vaag vermoeden wat er in de envelop zou zitten.
Heel even leek de notaris te twijfelen, maar toen opende hij met enige kracht het zegel, alsof hij hiermee definitief bevestigde dat de schrijfster van de brief overleden was. Hij opende het dikke papier dat er in zat, zette een kleine knijpbril op zijn neus en hield de brief dichter bij de kaarsen om het beter te kunnen lezen.
‘Aen Herman Jansz. Wassing, strickt persoonlijk’, las de notaris hardop voor.
‘Ick, Johanna Maria van Riebeeck, weduwe van Cornelis Bors van Waveren, geboren te Batavia den 15den February 1679 verklaer hierbij het volghende:
Tijdens mijn lange leven op drie continenten heb ik helaas kunnen vaststellen dat mij, ondanks mijn passend fortuin, toch een belangrijke saek ontbeerde.’

Passend fortuin, dacht Herman, dat kan je wel zeggen. Anna was schat en schatrijk.
‘Het is aen u, Herman Jansz. Wassing en uw nakomelingen, om er voor te sorghen dat deze saeken toch terug in de familie komen. Ik doel hier op de documenten van mijne grootvader Jan van Riebeeck die onze familie op so laffe wijze seijn ontnomen. Ik geef u en uw nakomelingen hierbij de opdracht deze documenten weer terugh te brengen in het familiebezit. Tevens geef ik u de middelen deze opdracht met goet gevolg te kunnen volbrenghen in naem van de erven van de la Queillerie.’
Het was ondertekend met haar naam en handtekening en de afkorting EDQ, erven van de la Queillerie, de familienaam van Anna’s grootmoeder en echtgenote van Jan van Riebeeck. De drie letters stonden ook in een groot zegel gedrukt.
Herman wist welke documenten ze bedoelde want ze had er met hem vaak over gesproken. Ooit had haar grootvader, de roemruchte Jan van Riebeeck een document opgesteld dat de eigenaar machtig en rijk zou maken. Hij had de VOC willen delen met deze kennis, maar nadat hij beschuldigd was van corruptie en zelfverrijking was haar grootvader daartoe minder bereid geweest en toen ze hem ook nog de hoogste positie in Indië niet hadden gegund was dat voor hem reden om het document binnen de familie te houden.
Het document waarop zijn ontdekking beschreven stond had hij verborgen op een geheime plek. De beschrijving van de exacte locatie daarvan had hij gedeeld over drie documenten en die drie delen had hij laten verspreiden over de wereld, onvindbaar voor de VOC en de Heeren XVII. De locaties van de drie verstopplaatsen had hij keurig opgeschreven in een document zodat zijn zoon Abraham, de vader van Johanna Maria, ervan kon profiteren.
Herman wist dat de VOC op een of andere manier het bestaan van de erfenis van Van Riebeeck had ontdekt en sinds die tijd jaagde de Compagnie op de papieren, maar het was niet meer duidelijk wie ze nu in zijn bezit had of waar ze waren. Anna vond echter dat het aan haar familie toebehoorde en dus was de opdracht duidelijk: de papieren moeten terug naar de familie, hoe lang het ook zou duren.

Cabo de Bona Esperança, augustus 1652

Jan van Riebeecks eerste mijlpaal aan de Kaap was bereikt. Sinds april hadden ze in tenten op het strand gewoond, maar nu konden de eerste kolonisten hun woning betrekken. Het deed Jan goed dat sinds hun aankomst alles voorspoedig was verlopen en hij keek tevreden terug op de afgelopen maanden. Hoe anders was de overtocht geweest.
Het verzamelpunt voor de vloot was de Balg, onder het eiland Wieringen. Helaas hadden de Walvis en de Oliphant de drempel naar zee niet tijdig kunnen nemen en hadden de aansluiting met de rest van de vloot gemist. Zo voorspoedig de tocht van de overige drie schepen was – slechts twee personen overleden onderweg – zo rampzalig was die van de twee achtergebleven schepen. Toen ze een maand na de eerste drie schepen voor anker gingen bij de Kaap, waren 130 opvarenden overleden aan scheurbuik, iets wat des te wranger was omdat het voorkomen van scheurbuik een van de voornaamste redenen was om deze nederzetting te stichten. Voor de VOC, maar ook voor Jan van Riebeeck persoonlijk, die voor hij koopman werd net als zijn vader chirurgijn was geweest, was het bestrijden van scheurbuik belangrijk. Maar de nederzetting was ook in zijn eigen belang want een goede bevoorradingspost was essentieel voor zijn ontdekking.

Kaapstad, mei 2012

Matthijs zat nerveus heen en weer te schuiven in de vliegtuigstoel en zijn gedachten maalden rondjes in zijn hoofd. Hij werd gezocht door de politie en hij moest straks in Kaapstad door de douane. Wat als er een internationaal opsporingsbericht naar hem was uitgegaan? Wat als ze hem zouden arresteren en hij in Zuid-Afrika de gevangenis in zou moeten? Van alle zorgen had hij maar weinig geslapen tijdens de vlucht.
Esther probeerde hem wat te kalmeren.
‘We zijn er bijna’, zei ze opgewekt. ‘Je zal zien dat er niets aan de hand is.’
De ontvoerders van de professor hebben die arme jongen niet voor niets hierheen gestuurd, dacht ze. Het zal vast niet hun bedoeling zijn dat hij hier al wordt aangehouden.
Het vliegtuig was al aan het landen en ter afleiding wees ze naar buiten waar Kaapstad te zien was in het vroege ochtendlicht. Het zag er spectaculair uit. De ontelbare fijne lichtjes van de stad strekten haar tentakels uit en omarmde de Tafelberg, alsof het deze wilde omklemmen als een kostbare trofee.

Eenmaal geland overtuigde Esther Matthijs ervan dat de douane hier nog niet kon weten dat Matthijs gezocht werd en ze kreeg tot zijn opluchting gelijk. De paspoorten werden gestempeld en ze werden hartelijk welkom geheten in Zuid-Afrika.
Omdat ze alleen een klein beetje handbagage hadden konden ze goed opschieten en ze liepen al snel de aankomsthal in waar het de gebruikelijke drukte van een grote luchthaven in de ochtend was.
‘Ik denk dat het beter is als ze ons hier niet samen zien’, zei Esther tegen Matthijs. ‘Ik zie je buiten wel weer’, en zonder op antwoord te wachten liep ze bij hem vandaan.
Matthijs voelde zich plotseling heel klein worden in het ruime futuristische gebouw en een vreemde benauwdheid overviel hem. Waar loopt ze heen en wat moet ik hier, vroeg hij zich af en hij keek om zich heen of hij ergens koffie kon drinken. Een kop koffie zou hem een vast en vertrouwd punt geven, als het magnetische noorden voor een kompasnaald, en hij zou weer een beetje kunnen kalmeren.
Omdat hij zo druk was koffie te zoeken had hij de man niet direct gezien.
‘Mister Brink?’ vroeg een zware mannenstem achter hem.
Matthijs draaide zich om en zag een vriendelijk glimlachende donkere man. Matthijs keek hem heel even recht aan. Wie was deze man?
‘Mister Matthijs Brink?’ herhaalde de man vriendelijk.
‘Eeh, ja dat ben ik’, zei Matthijs in perfect Brits Engels, zijn accent was een overblijfsel van zijn studie die deels had plaatsgevonden in Cambridge en was een wapenfeit waar hij uiterst trots op was.
‘Sorry dat ik niet direct reageerde, ik ben moe van de lange reis, ziet u’, zei Matthijs naar waarheid.
‘U bent alleen, is de jongedame niet bij u?’
Matthijs voelde zich even op het verkeerde been gezet, maar had intussen voldoende geleerd om niets te laten merken.
‘Ik reis alleen, ik weet van geen jongedame af, helaas niet’, grapte hij.
‘Very well’, zei de man op een toon die vertelde dat hij hem niet geloofde. ‘Ik heb hier een envelop met instructies voor u.’
Hij overhandigde Matthijs een envelop.
‘Hier scheiden onze wegen zich. Doet u geen moeite me te volgen. Ik ben slechts een loopjongen en ga nu naar huis. Mijn vrouw wacht op me. Ik wens u goede zaken.’
De man nam met een vriendelijke lach afscheid, draaide zich om en verdween in de mensenmassa.
Goede zaken, zou hij echt van niets weten? dacht Matthijs en bekeek de envelop. Hij wilde de man nog nakijken, maar hij was al verdwenen in de menigte. Wel zag hij schijnbaar onopvallend een oude Indonesische heer naar hem kijken. Hij herkende de man nog van Schiphol en van het vliegtuig. Het was dus geen wonder dat hij hier ook was, maar Matthijs liet niet merken dat hij hem opgemerkt had en prees zichzelf dat hij hem in de drukte gezien had.
Ik begin het te leren, dacht hij tevreden met zichzelf. Nu nog Esther zien te vinden en dan kunnen we samen kijken wat er in de envelop zit.

Nog een beetje ontdaan van de lange vlucht liep Matthijs de aankomsthal uit en voelde een lichte hoofdpijn van de reis opkomen. Eenmaal buiten voelde hij zich plotseling een vreemdeling. Het was frisser dan hij verwacht had en het enorme hypermoderne gebouw dat hij verliet was vreemd, net als de taal en de mensen en hij moest onwillekeurig denken aan You Can Call Me Al van Paul Simon. Was dat ook niet in Zuid-Afrika, vroeg hij zich af.
Alles was vreemd, maar toch was alles vertrouwd want hij kon de mensen verstaan en alles lezen. Hij zuchtte even diep en besloot weer naar binnen te gaan. Ik heb nu koffie nodig, dacht hij. Bovendien moet ik geld wisselen.
Tegen de stroom in liep hij weer de aankomsthal in en botste daarbij bijna tegen Esther op.
‘Waar ga jij naartoe?’ vroeg ze verbaasd.
‘Ik ben op zoek naar koffie en wil geld wisselen.’
‘Hier’, ze duwde hem een flesje water in zijn hand. ‘Valpre Spring Water’, stond op het etiket. ‘Geen koffie meer voor jou’, voegde ze er streng aan toe. ‘En geld heb ik al gewisseld.’
Matthijs besloot niet tegen te spreken en liet haar de envelop zien.
‘Niet hier, we worden geschaduwd’, zei ze zacht.
‘Ik heb hem gezien’, zei Matthijs, hij staat nog in de aankomsthal.
‘Je gaat vooruit’, prees Esther. ‘Laten we een taxi nemen.’
‘Waar naartoe?’
‘Naar het centrum, dat is altijd goed, dan kijken we onderweg in de envelop.’

Achterin de taxi openden ze nieuwsgierig de envelop. Zoals ze verwachtten zat er een beknopte aanwijzing in.
‘Neem in Kasteel de Goede Hoop contact op met dr. Henry Colins, de hoofdconservator. Vraag hem naar de erfenis van Van Riebeeck. Omdat je niet meer alleen bent maar hulp hebt gekregen heb je 2 dagen, anders moeten we professor Van Gorssel doden. Onthoud: geen politie.’
Het was weer ondertekend met XVII.
‘Ze bluffen’, zei Esther vol overtuiging.
‘Wat bedoel je?’
‘Ze zullen jouw prof echt niet doden, want dan hebben ze niets meer om jou te dwingen.’
Matthijs voelde er niets voor haar theorie te testen. ‘En mijn computer dan?’ vroeg hij.
‘Hm, je hebt misschien gelijk. We moeten onze tegenstanders niet onderschatten. Bovendien is duidelijk dat ze weten dat je niet meer alleen bent maar hulp van mij hebt gekregen.’
‘En we weten nu dat die zeventien, wie dat ook mogen zijn, zelfs hier connecties hebben. Gelukkig hebben we een klein voordeel: ik ken die Henry Colins redelijk goed. Ik heb hem slechts een keer op een congres ontmoet, maar heb in het verleden veel contact met hem gehad voor mijn onderzoek’, zei Matthijs.
‘Je had toch onderzoek gedaan naar oude VOC documenten en correspondentie uit de eerste helft van de zeventiende eeuw?’
‘Zo, je bent goed op de hoogte.’
‘Ik zei toch dat ik alles over je al had opgezocht’, zei Esther met een glimlach.
‘We zijn in het centrum, waar wilt u heen?’ vroeg de chauffeur.
Matthijs keek uit het raampje terwijl ze op een rotonde reden. ‘Is het kasteel ver?
‘Nee meneer.’
‘Zet ons dan maar hier af, we lopen de rest wel’, zei Matthijs met een grijns. ‘Ik zie hier iets bekends.’
De taxi reed een parallelweg op en stopte op de hoek van een bruingrijs kantoorgebouw dat de straat flankeerde. Esther liep direct naar de overdekte winkelgalerij en ging tegenover een klein kraampje een beetje schuin achter een pilaar uit het zicht staan. Een andere taxi met een Indonesisch uitziende heer als passagier zoefde voorbij.
‘Haha’, lachte Matthijs vrolijk en liep naar Esther.
‘Wat is er, waarom ben je ineens zo vrolijk?’
‘Zie je het niet?’
Esther keek om zich heen. De parallelweg waar ze stonden was omzoomd met vreemde tropische bomen en kleine palmboompjes. De hoofdweg was breed en druk. Een eindje verderop stond een wegwijzer voor voetgangers die onder andere de weg naar het nabijgelegen station wees.
‘Kom’, zei Matthijs en stak zijn hand uitnodigend uit en ze trotseerden samen het verkeer om naar het midden van de brede boulevard te lopen. Nu werd pas duidelijk hoe hoog de gebouwen waren die langs de straat stonden.
De brede middenberm vormde een soort wandelpromenade. Aan weerszijden stonden palmbomen en het zag er vriendelijk exotisch uit. Een paar honderd meter verderop waren havenkranen en de oceaan te zien en aan de andere kant stonden hoge kantoorgebouwen te blinken in de zon.
‘Wow, Kaapstad’, zei Esther en ze haalde diep adem, ‘maar waarom ben je zo opwonden?’
‘Kijk daar!’ Matthijs rende enthousiast in de richting van de rotonde waar het verkeer in een oneindige stroom door raasde. Esther holde achter hem aan. Bij het plein bleef Matthijs staan en strekte zijn armen uit alsof hij het wilde omarmen.
Esther keek naar het plein. Een strakblauwe lucht, een soort park met palmbomen, hoge kantoorgebouwen, de tafelberg in verte, maar waar was Matthijs zo opgewonden over?
‘Kijk dan! Dat beeld.’ Hij liep met grote passen naar een groot beeld op een enorme sokkel.
Esther liep erheen en begreep nu zijn opwinding. Het was het standbeeld van Jan van Riebeeck.

Verder lezen…

Bij voldoende leesbelangstelling zal ik meer plaatsen. Laat een berichtje achter en deel het verhaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*