XVII – 1

XVII

Alle (ja ALLE) rechten (c) E. Melisie 2013
Omdat een boek niet prettig leest vanaf een scherm heb ik hier en daar wat linkjes en afbeeldingen toegevoegd voor deze ‘sneak preview’. Hieronder staan slechts de eerste hoofdstukjes. Deze preview is maar tijdelijk en bevat slechts de eerste 25 bladzijden (van totaal ruim 450).
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.

De flaptekst

Wanneer de jonge historicus Matthijs Brink onverwacht een oud document van Jan van Riebeeck in handen krijgt kan hij niet vermoeden dat dit het begin is van een avontuur dat hem naar Kaapstad zal leiden.
Geholpen door de aantrekkelijke Esther Broding heeft hij maar een paar dagen om de legendarische schat van Jan van Riebeeck te vinden.
Achternagezeten door de Nederlandse politie en de geheimzinnige XVII (zeventien) brengt zijn speurtocht hem in steeds groter gevaar.
XVII neemt de lezer mee door de tijd en laat de lezer de ware geschiedenis van de schat van Van Riebeeck zien, die al eeuwenlang de oorzaak is van moord en doodslag.

Scharwoude, 14 augustus 1965

Omdat hij wist dat zijn brommer te veel lawaai maakte had de achtervolger de motor afgezet want hij wilde niets aan het toeval overlaten. Het viel echter niet mee, zijn benen voelden steeds zwaarder, zweet liep over zijn rug en de afstand tot zijn niets vermoedende doelwit werd steeds groter. Hij raakte ze zelfs heel even kwijt toen hij zijn benen een korte pauze had gegund, maar toen hij in de verte de silhouetten van de fietsers op de dijk zag haalde hij opgelucht adem. Zijn vader kon trots op hem zijn want het kon nu niet meer mis gaan. Vandaag zou alles veranderen.
‘Ik zei toch dat het vandaag mooi weer zou worden?’ zei Wim Bosch lachend tegen zijn vrouw. De zon brandde in een vrijwel onbewolkte hemel.
‘Laten we daar aan het water gaan zitten’, stelde hij voor.
‘Is dat niet gevaarlijk voor Ansje, zo dicht bij het water?’ Annemieke keek bezorgd naar de waterkant.
‘Welnee, wij zijn er toch bij?’
Wim wachtte niet op antwoord en met de kleine Ansje achterop fietste hij zo hard hij kon naar de bocht in de dijk waar het fietspad vlak langs het IJsselmeer kwam. De driejarige Ansje gierde van het lachen toen ze de wind in haar gezicht voelde waaien.
‘Sneller papa, sneller’, moedigde ze hem aan. Een ooievaar die met grote passen langs een sloot liep vloog geschrokken op.

Niet lang daarna zaten ze alle drie onderaan de dijk op een geschikt plaatsje aan het water uit te rusten. Ze hadden de fietsen meegenomen de dijk af en de rijwielen lagen nu naast hen in het hoge gras dat zacht wuifde door het verkoelende briesje dat vanuit het water waaide. Wims gezicht was rood van inspanning geworden. Hij had de bovenste knoopjes van zijn overhemd losgeknoopt en ging languit in het hoge gras liggen terwijl Annemieke het kartonnetje met flesjes Exota pakte. Voor Ansje was er uiteraard geen prik maar wel ranja.
Aan de horizon voeren enkele boten en het water kabbelde zachtjes tegen de dijk alsof het dit jonge gezin op die manier vriendelijk wilde groeten.
Wim glimlachte in zichzelf en bedacht hoe fijn ze het met z’n drieën hadden en liep naar zijn fiets om de broodjes uit de fietstassen te halen, maar vooral om zijn laatste trots tevoorschijn te halen: een nieuwe Aristona transistorradio.
‘Doet die radio het hier wel?’ vroeg Annemieke een beetje bezorgd.
‘Natuurlijk en bovendien heb ik er gisteren nog nieuwe Witte Kat batterijen in gedaan en Radio Veronica is hier net zo goed te ontvangen als thuis.’
‘Hoe laat is het?’ Annemieke had haar horloge thuisgelaten. Het was een huwelijksgeschenk geweest en ze was er altijd voorzichtig mee en zoals altijd bang het ergens te verliezen.
Wim keek op zijn horloge. ‘Het is half drie, het is al begonnen.’
In zichzelf mopperend dat hij de tijd vergeten was zette hij snel de radio aan en zocht de juiste frequentie op om de Top 40 te zoeken en al snel vielen ze midden in hun favoriete programma en klonk Ticket to Ride uit het radiootje.
Ansje trok aan haar moeders jurk en vroeg om drinken, maar ze werd tot stilte gemaand door Annemieke.
‘Sst’, zei ze. ‘Even wachten tot dit liedje is afgelopen.’
Ademloos luisterden Annemieke en Wim naar The Beatles en pas toen de enthousiaste stem van Joost den Draaijer weer klonk stond Annemieke op om nog wat drinken uit de fietstas te halen.
‘Zie je wel’, zei Annemieke plagend tegen Wim. ‘Jij hebt ook geluisterd. Je bent stiekem ook gek op de Beatles.’
‘Nee hoor, ik was stil voor jou’, zei Wim met gespeelde verontwaardiging.
‘Geef het maar toe’, zei Annemieke lachend en gaf haar man een goedmoedige por.
‘Nee hoor, de Stones, die zijn pas goed. Ik durf te wedden dat we over een paar jaar niets meer van die Beatles van jou horen.’
‘En over die herrie van jouw Stones horen we volgend jaar al niets meer. Ik durf te wedden dat die laatste van hun geeneens in de Top Veertig komt.’
‘Wedden van wel?’
‘Wat wil je wedden, dat je volgend jaar nog iets van ze hoort of dat hun nieuwste single niet in de top veertig staat?’
‘Hm… allebei’, daagde Wim haar uit.
‘Waar zullen we om wedden?’
Wim dacht na. Hij was groot fan van de Stones en het moest wel heel gek lopen wilde Satisfaction niet in de top veertig komen. Bovendien was het maar een grapje, dat wisten ze allebei, ze hadden onderling al jaren een goedmoedige ruzie over de muziek van de Beatles en de Stones.
‘Nou?’ vroeg Annemieke.
‘Ik denk nog even na.’
‘Zie je wel, je durft niet’, plaagde Annemieke.
Wim lachte en keek naar zijn vrouw en dochtertje, voelde de warmte van de zon op zijn huid en voelde zich intens gelukkig. Hij had pas een aardige opslag gekregen op zijn werk en misschien dat ze binnenkort zelfs een televisie gingen kopen en… Hij droomde even weg, keek naar Annemieke en glimlachte. Ja, alles zit mee, dacht hij tevreden.
Behalve die wesp dan! Hij pakte zijn zakdoek en onhandig wapperend als een beginnend matador probeerde hij het diertje bij hem en zijn gezin weg te jagen.
‘Niet boos maken, dan gaat hij juist steken’, waarschuwde Annemieke, maar de rollen waren al omgedraaid en de wesp vloog achter Wim aan, die tot groot plezier van zijn vrouw en dochtertje door het gras rende om aan het insect te ontkomen.

Terwijl hij de dijk oprende zag hij dat er halverwege de waterkering iemand stond. Het was een jongeman van ongeveer twintig jaar en ondanks het mooie weer droeg hij een pak en een dunne stropdas. Hij was gladgeschoren en zijn haar was stak achterover gekamd. Een eindje verderop stond een brommer. De jongeman stond met zijn armen over elkaar naar het gezin onderaan de dijk te kijken en alles in zijn houding deed vermoeden dat hij er al een tijdje stond. Wim voelde zich daardoor een beetje ongemakkelijk maar wilde het niet laten merken.
‘Goedemiddag’, zei hij hijgend van het rennen. ‘Kan ik u helpen?’
‘Ja, ik heb pech met mijn bromfiets, misschien kunt u me helpen?’
‘Natuurlijk’, zei Wim die had vastgesteld dat de wesp allang weg was en hij volgde de vreemdeling die hem vooruitliep naar de top van de dijk.
Tot Wims verontrusting liep de jongeman door bij zijn bromfiets.
‘Uw bromfiets staat toch hier?’ zei Wim toen hij erlangs liep.
De vreemdeling draaide zich om. ‘Kom maar’, zei hij vriendelijk.
Wim keek nog een keertje om naar zijn vrouw en dochter die hem vragend aankeken, maar hij zwaaide geruststellend naar beneden.
‘Ik ben er zo weer, even deze meneer helpen’, riep hij hen toe.
Annemieke boog zich weer over de radio en zette deze iets harder.
Wim liep door naar de andere zijde van de dijk waar de jongeman stopte. Deze kant van de dijk kwam uit op de polders. Slechts doorbroken door smalle rechte slootjes waaruit de koeien zo nu en dan voorzichtig dronken, strekte deze groene zee zich tot aan de horizon uit. Wim en de vreemdeling waren nu uit het zicht. Alleen de koeien en de overvliegende vogels konden hen zien, maar noch de koeien, noch de gierende zwaluwen hadden aandacht voor de twee mannen.
‘U bent Wim Bosch?’
‘Hoe weet u mijn naam?’ vroeg Wim en trok zijn wenkbrauwen verbaasd op.
‘U heeft iets dat eigenlijk van mij is’, zei de jongeman.
Wim schrok. Natuurlijk, een nozem, waarom heb ik dat niet direct gezien, dacht hij en hij draaide zich om. Hij wilde weer terug naar zijn gezin.
‘Ik denk dat u de verkeerde voor u heeft’, zei hij om het gesprek af te ronden.
‘Nee, dat heb ik niet’, zei de jongeman met lichte drang. ‘U heeft thuis een oud document, dat eigenlijk aan mij toebehoort.’
Wim draaide zich om en kon zijn nieuwsgierigheid niet onderdrukken.
‘Wat voor oud document?’ vroeg Wim.
Die jongen zou toch niet dat papier bedoelen waarmee ik vorige maand naar een antiquair in Amsterdam ben geweest? dacht hij, ik had toen al gedacht dat er iets vreemds mee was. Hij fronste zijn wenkbrauwen en schudde zijn hoofd.
‘Nee, u heeft de verkeerde voor u. Ik heb dat document niet meer.’
De jongeman had tot dan toe vriendelijk gekeken, maar nu betrok zijn gezicht. ‘U heeft het wel, en u gaat me nu zeggen waar dat papier is.’
De vreemdeling stapte dreigend op Wim af die daarop een stap achteruit deed, struikelde en achterover viel om vervolgens op een ongelukkige manier de dijk af te rollen. De valpartij eindigde in de sloot onderaan de dijk. Wim viel languit in het drabbige water en bleef daar bewegingloos liggen, zijn nek was op een vreemde manier verdraaid.
‘Nee, nee, nee’, riep de nozem paniekerig terwijl hij achter Wim aanholde en hem vervolgens met moeite uit de sloot sleepte.
Het levenloze lichaam van Wim Bosch was voor een groot deel bedekt met zwarte blubber en frisgroen eendenkroos en tot afgrijzen van de vreemdeling stonk het slachtoffer naar bedorven water.
De nozem keek paniekerig om zich heen en streek uit gewoonte zijn hand nerveus door zijn haar. Niemand zal het toch gezien hebben, dacht hij en zijn keel werd dik. Dit gaat helemaal fout, ik moest ze alleen flink bang maken om de informatie te krijgen.
Onwennig sleepte hij het lichaam van Wim Bosch moeizaam de dijk op, weg van de sloot. En dat kind, dacht hij angstig, ik kon toch ook niet weten dat ze een kind hadden.
Hij schrok op, zijn vrouw, dat kind… Ze zullen het toch niet gezien hebben? Ze zullen mij toch niet gezien hebben?
Aan de andere kant van de dijk zat Annemieke een bloemenkrans te maken voor haar dochtertje. De muziek had voor even plaats gemaakt voor nieuws en ze zuchtte diep bij het horen ervan. Er waren rassenrellen in Amerika waarbij wellicht al vier doden zouden zijn gevallen en Amerikaanse vliegtuigen waren boven Vietnam neergeschoten.
In wat voor wereld groeit onze Ans toch op, dacht ze zorgelijk terwijl ze het steeltje van een madeliefje voorzichtig splitste om er een volgende doorheen te kunnen steken.
Terwijl ze dat deed keek ze bezorgd naar haar dochtertje die de dijk opliep om meer bloemen te plukken. Zwaluwen scheerden af en toe gierend over de dijk en Annemieke glimlachte toen ze zag hoe Ansje de vogels al draaiend met haar hoofd probeerde te volgen tot ze er duizelig van werd.
Na de bloemenkrans voor haar dochtertje maakte Annemieke een krans voor zichzelf en uit baldadigheid maakte ze er ook nog een voor haar Wim. Af en toe keek ze verontrust naar de dijk, maar de bromfiets van de jongeman stond er nog en dat stelde haar gerust.
Terwijl Ansje op de dijk liep en een enorm veldboeket plukte zette Annemieke de radio weer iets harder. Dave Berry was een van haar favorieten en This Strange Effect was op dit moment het beste nummer vond ze. Jammer dat die niet op nummer één staat, dacht ze. Die Dave Berry, dat is een zanger waar we nog lang wat van zullen horen, daar wil ik ook wel een weddenschap met mijn Wim over aangaan dacht ze en zwijmelde weg bij de stem die uit de radio schalde.
Het volgende nummer kon haar niet erg boeien en ze maakte zich nu een beetje ongerust over haar man, hij bleef nu wel erg lang weg, vond ze.
Ze stond op en strekte haar benen die stijf waren geworden van het zitten en keek met een schuin oog naar Ansje die bovenaan de dijk bloemen plukte.
‘Kan je papa zien?’ vroeg Annemieke.
‘Weet het niet, ik zie wel die andere meneer daar’, zei Ansje.
Annemieke zuchtte en liep de dijk op. ‘Ik ga even bij papa kijken. Jij blijft op de dijk en komt niet bij het water, afgesproken?’
Ansje knikte.
‘Goed zo, ga nog maar wat bloemen plukken, van die witte en die gele daar, die vindt papa vast mooi.’
Enthousiast ging Ansje verder met plukken en Annemieke keek aan de andere kant van de dijk ongerust naar beneden. Ze wist niet zeker of ze het goed zag maar het leek of die jongen over Wim gebogen zat en Wim lag er raar bij.
Het werd even zwart om haar heen toen ze besefte dat er iets niet klopte. De grond leek te draaien en met bonzend hard en slappe knieën holde ze naar beneden.
‘Wat is er gebeurd? Jij nozem!’ gilde ze nog voor ze beneden was, want Wim was nat en vuil en zijn ogen stonden weggedraaid in zijn hoofd dat in een onnatuurlijke houding lag. Annemieke voelde een kille rilling die over haar hele lichaam trok.
De jongen keek op met een wilde blik in zijn ogen en hij probeerde de vrouw met afwerende gebaren tegen te houden.
‘Het was een ongeluk’, stamelde hij. ‘Hij viel en, en…’
Annemieke stortte zich huilend op het levenloze lichaam van Wim en leek niet te horen wat de jongen tegen haar zei.
‘Ik kon er echt niets aan doen’, zei hij verontschuldigend en stond korte tijd machteloos toe te kijken hoe Annemieke haar man huilend vasthield, tot hij een idee kreeg, een idee waarvan hij zelf tot dan toe niet wist dat hij het kon bedenken. Dit is mijn kans, dacht hij, hij gruwelde van opwinding en zijn zintuigen leken plotseling scherper te zijn dan ooit tevoren.
‘Het was zijn eigen schuld’, zei hij zelfverzekerd. ‘Hij wilde niet zeggen waar het document is.’
Hij keek Annemieke uit de hoogte aan en op het moment dat hij de woorden uitsprak wist hij dat er nog maar één uitkomst mogelijk was. De jongeman strekte zich uit om zich groter te maken. Het moet blijkbaar zo aflopen, dacht hij. Het is jammer, ze is best mooi, maar het kan niet anders.
‘Zeg op, waar is dat document!’ commandeerde hij.
Annemieke keek op. Ze kon de jongen bijna niet zien door alle tranen, maar zijn stem was helder en scherp.
‘Het document waarmee hij naar Amsterdam is gegaan. Zeg op, waar is het!’ zei hij hard.
‘Ik weet niet waar je het over hebt’, snikte Annemieke naar waarheid. Ze veegde haar tranen af en streek haar lange donkerbruine haren uit haar gezicht en keek nu recht in het gezicht van de jongen. Ze zag elk detail, zijn bruine ogen, zijn vette achterovergekamde haar, zijn dunne lippen, maar vooral zijn strakke en kille blik als van een slang die op punt staat toe te slaan en Annemieke besefte op dat moment ook dat er maar één afloop mogelijk was. Tenzij ze nog hulp kon halen. Ze bedacht zich niet en rende de dijk op en schreeuwde om hulp, maar de jongen had haar al ingehaald en nog op de dijk trok hij haar aan haar benen zodat ze voorover in het gras viel waarna de jongen Annemieke aan haar haren naar de grond trok.
‘Die moffen hadden gelijk’, siste hij in haar oor. ‘Zeg op, waar is het!’
‘Mijn baby, mijn baby’, huilde Annemieke bijna smekend.
De jongen keek heel even geschrokken op naar de dijk en stelde tevreden vast dat het meisje nergens te zien was. Hij sleepte Annemieke mee de dijk af en duwde haar gezicht op dat van haar echtgenoot.
‘Wil je dan zo eindigen?’ riep hij met trillende stem, trok haar verder naar beneden en duwde vervolgens haar gezicht korte tijd in de stinkende sloot.
Proestend kwam Annemieke weer boven, happend naar lucht. Ze hoestte vies slootwater uit.
‘Zeg op!’
Annemieke schreeuwde tevergeefs om hulp, maar haar stem was al verzwakt en verwaaide over de polder, slechts gehoord door enkele grazende koeien die het gebeuren negeerden.
‘Waar is dat papier van Van Riebeeck! Zeg op!’
Weer duwde hij haar gezicht in de sloot.
Het kostte de jongen meer moeite om de twee lichamen de dijk op te slepen dan hij verwacht had, maar tot zijn genoegen ging het naar beneden rollen aan de andere zijde een stuk makkelijker. Hij keek nog even om zich heen, maar het dochtertje was ver weg en nog steeds aan het bloemenplukken en had niet in de gaten wat er zich aan de landzijde van de waterkering had afgespeeld.

De jongeman zocht in de zakken van Wim en Annemieke, maar tot zijn frustratie vond hij niet wat hij zocht. Stampvoetend liep hij vervolgens naar de fietsen en rommelde even in de fietstassen tot hij de huissleutels vond. Daarna sleepte hij de twee lichamen het water van het IJsselmeer in en legde hij de fietsen een stuk verderop in het water in de hoop dat het op een ongeluk zou lijken. De lege flesjes, getuigen van een wreed verstoorde picknick gooide hij in het water waarna het radiootje aan de beurt was.
Het speelde nog steeds en terwijl Satisfaction van The Rolling Stones uit het luidsprekertje kraakte zwaaide hij het naar achteren om het met een zo mooi mogelijke boog in het water te gooien.
Eigenlijk zonde, dacht hij en bedacht zich op het laatste moment. Hij zette de muziek harder, liep de dijk op en stapte op zijn bromfiets. Het schelle geratel van de motor overstemde de radio en de leeuweriken die hoog in de lucht getuige waren geweest.
Hij keek nog even naar het meisje dat een eindje verderop nog steeds bloemen aan het plukken was en niets gezien leek te hebben en zonder dat hij het tegen kon houden begon hij plotseling te trillen over zijn hele lichaam. Hij dacht aan wat hij zojuist gedaan had en probeerde het van zich af te zetten. Het moest helaas zo gebeuren, maar het grote belang gaat voor het leven van deze mensen, hield hij zich voor.
Het stelde hem gerust, waarna hij gas gaf en over de dijk richting Hoorn reed, de woonplaats van dit gezin. Met deze huissleutel moet het makkelijk worden, dacht hij en liet tevreden de wind in zijn gezicht waaien. Met de wind waaiden ook zijn zorgen over wat hij zojuist had gedaan weg en maakte plaats voor een gespannen opwinding. Eindelijk, na al die eeuwen zou het hem wel lukken de schat van Van Riebeeck te vinden.

Amsterdam, 10 juli 1965

Wim keek fronsend naar de lucht. De zon had zich die dag nog niet laten zien en de grijze wolken waren zwaar van de regen. Het kan nooit lang droog blijven, dacht hij en kreeg spijt dat hij zijn paraplu vergeten was mee te nemen waarna hij dieper in de kraag van zijn jas dook en de leren aktetas stevig onder zijn arm klemde. In de tas zaten de papieren die ze drie weken geleden bij toeval hadden ontdekt veilig opgeborgen.
Tot hun grote vreugde bleek enkele weken eerder dat Annemieke zwanger was van hun tweede kindje. Dit was een mooie gelegenheid om de nieuwe kamer van Ansje weer helemaal te verven en schoon te maken. Het was dagenlang een drukte van belang in hun nieuwe flat aan de Astronautenweg. Er werd geschilderd, gesopt, behangen en gesleept met meubeltjes.
Het was tijdens dat slepen met meubeltjes dat het gebeurde. Het wiegje dat nog in een hoek van Ansjes kamer stond te wachten op een nieuwe gast werd door Wim naar de gang gebracht zodat het zeil op de vloer goed schoongemaakt kon worden. Wim stootte daarbij het wiegje per ongeluk hard tegen het deurkozijn en tot hun grote schrik viel luid kletterend een onderdeel van het antieke wiegje op de grond.
‘Kijk uit’, verweet Annemieke haar echtgenoot. Het deed haar pijn om het oude wiegje waar ze zelf ooit in gelegen had zo hard op de grond te zien vallen.
‘Het ging per ongeluk’, verontschuldigde Wim zich die het warm begon te krijgen en probeerde het met een grapje goed te maken. ‘Gelukkig lag de baby er niet in’, grijnsde hij en raapte het plaatje hout dat er afgevallen was van de vloer.
‘Wat is dit?’
Hij bekeek de bodem en zag nu dat het plankje een soort dekseltje was dat een verborgen vak onderin het wiegje kunstig had afgesloten. De fijne naad was heel ingenieus in de nerf van het hout verborgen geweest waardoor het hen nog nooit was opgevallen. Wim keek naar Annemieke die haar schouders ophaalde.
‘Er zit iets in’, mompelde Wim en legde het wiegje op zijn kant om beter te kunnen kijken.
In het verborgen vakje was nu duidelijk een dik en dubbelgevouwen papier te zien. Aan de kleur te zien was het al oud, want het was vlekkerig en vergeeld.
Hij vouwde het papier open en zijn ogen werden groot. Annemieke keek nieuwsgierig over zijn schouder mee.
In het papier was een dunner papier gevouwen dat een soort kaart leek, maar het was onduidelijk wat het voorstelde. Wim begreep er weinig van en verplaatste zijn aandacht naar het andere papier.
‘Het is meer dan oud’, zei hij. ‘Het is zelfs antiek. Moet je kijken, ik kan het niet eens lezen.’
Het papier was beschreven met een oud handschrift met sierlijke krulletters en onderaan zat een soort zegel dat deels verbrokkeld was. Wim keek zijn vrouw aan, maar Annemieke schudde haar hoofd.
‘Ik heb geen idee wat dit is’, zei ze. ‘Ik vraag me af of mijn moeder het zelfs weet.’
‘Als we haar zien moeten we het vragen’, zei Wim. ‘Dit is heel oud. Niemand schrijft meer zo krullerig en met die oude woorden. Ik wed dat het wel tweehonderd jaar oud is.’
Annemieke boog zich nu ook over het papier en een glimlach verscheen op haar gezicht.
‘Wat krijg ik van je als het ouder is?’
Wim dacht even na, ze hadden onderling altijd weddenschapjes, soms over de meest triviale zaken. Sommige mensen begrepen dat niet, maar dat maakte het voor hun tweeën alleen maar leuker.
‘Als het ouder is dan twee eeuwen, kopen we die transistorradio die je zo graag wilt hebben’, zei Wim beslist.
Een brede glimlach verscheen op Annemiekes gezicht. ‘Afgesproken’, zei ze. Ze wist net zo goed als Wim dat eigenlijk hij zelf die radio wilde hebben, maar dat maakte haar niet uit. Ze wees naar een jaartal dat met sierlijke krullen op het papier stond.
Wims ogen werden groot toen hij het jaartal zag. ‘Dat is meer dan tweehonderd jaar, dat is bijna 290 jaar oud’, rekende Wim snel uit.

1676

‘En kijk’, zei Annemieke, ‘daar lijkt een naam te staan.’
Ze draaiden het papier tot het licht er goed opviel en ze de naam konden lezen.

Johan Anthoniszoon Van Riebeeck

‘Dat kan toch niet?’ zei Wim en keek zijn echtgenote vragend aan.
Annemieke schudde haar hoofd. ‘Nee, dat kan niet, dat is vast een grap van iemand, van mijn vader of zo.’ Ze kon geen andere verklaring bedenken.
‘Ja, dat is echt een grap van hem’, zei Wim licht teleurgesteld.
Ze keken elkaar aan en schoten in de lach.
‘Weggooien dan maar?’
‘Ja’, zei Annemieke, maar bedacht zich snel. ‘Nee, we leggen het terug en dan kunnen we er nog een grap mee uithalen.’
Hoewel het een grap was geweest hadden ze toch maar de radio gekocht zodat ze nu overal in huis naar muziek konden luisteren en ondanks de teleurstelling had Wim er een ongemakkelijk gevoel aan overgehouden. De twijfel over de echtheid bleef bij hem knagen en hij had in de Kleine Winkler Prins encyclopedie nog wat nagelezen over Van Riebeeck en had zichzelf er meer en meer van overtuigd dat het papier echt was en dus had hij uiteindelijk samen met zijn vrouw de trein naar Amsterdam genomen. Annemieke was er gaan winkelen en Wim liep op deze regenachtige zaterdag langs de grachten, op zoek naar een antiquair. Iemand moet toch kunnen zien of het echt is, dacht hij.

In een telefooncel had hij een aantal adressen van antiquairs in het telefoonboek opgezocht en al snel was de eerste gevonden. Deze was echter een rommelige ‘Antiek & Curiosa’. De eigenaar van de zaak bekeek het papier, haalde zijn schouders op, snoof minachtend en bood er een rijksdaalder voor.
De tweede was niet veel beter en Wim begon al bijna de moed op te geven toen de vierde hem doorverwees naar een adres aan de Prinsengracht. Hoewel deze zaak niet in het telefoonboek stond, zou deze gespecialiseerd zijn in de zeventiende eeuw en met name documenten uit die tijd.
Een klein messingkleurig naambordje bij de deur verraadde de naam van de antiquair: J.H.W. Gorzels. De etalage vol oude kaarten, globes, beeldjes en antiek zag er veelbelovend uit en vol goede moed liep Wim de winkel in. De winkelbel klingelde en Wim keek goedkeurend rond, want aan de wanden hingen ingelijste papieren die hem deden denken aan het papier dat hij bij zich droeg. Als dit geen succes is, ga ik weer terug naar huis, dacht hij.
Een oude man, met dun, grijs achterovergekamd haar groette Wim zakelijk. Wim glimlachte vriendelijk en nam de man kort op. Alles aan de man leek grijs te zijn, niet alleen zijn haar, ook zijn pak was grijs en van een van zijn ogen was het linkeroog vertroebeld door staar waardoor de man een onaangename uitstraling kreeg. De huid leek kwetsbaar als de papieren en perkamenten in zijn winkel.
‘Goedemiddag’, zei Wim een beetje onzeker. ‘Ik heb een papier gevonden en ik zou graag willen weten of het echt is.’
De man lachte zuinigjes waarbij de huid op zijn gezicht in fijne rimpels trok. Hij stak zijn linkerhand uit om het papier aan te nemen en met zijn rechter pakte hij een enorme loep die op de toonbank lag.
‘Ik zal even kijken’, zei de man met een lijzige stem.
Wim keek met verbazing hoe het goede oog van de antiquair vergroot werd door het glaswerk en hoe het levendig heen en weer sprong over het document.
‘Het papier lijkt me echt. Hoe komt u er aan?’
‘Ik heb het thuis gevonden.’
Het uitvergrote oog van de antiquair scande het papier en plotseling werd het nog groter en begon de hand van de oude man te trillen. ‘Maar dat is het document van Van Riebeeck’, fluisterde hij bijna onhoorbaar. ‘Wat een vondst… eindelijk.’
Er klonk een vreemd soort opluchting in zijn stem door en hij leek Wim op slag vergeten te zijn toen hij zichzelf verloor in het oude papier. Wim bleef verwachtingsvol toekijken, maar toen de handelaar aanstalten maakte met het document weg te lopen kuchte hij kort.
Langzaam keek de antiekhandelaar op en keek zijn klant met een priemende blik aan.
‘Hoe zei u dat u hieraan bent gekomen?’ De stem was niet meer lijzig, maar scherp en wantrouwend. De ogen van de man knepen fijn en hij kreeg een harde gelaatsuitdrukking.
Wims hart begon sneller te kloppen en hij voelde zich plotseling niet meer op zijn gemak. Snel griste hij het papier uit de handen van de handelaar.
‘Het is echt?’ vroeg Wim. Zijn hart bonsde in zijn keel.
‘Ach’, zei de handelaar meelijwekkend. ‘Ik weet het niet zeker, maar ik geef u er tien gulden voor’, en hij opende reeds de kassa om het geld te pakken.
‘Nee dank u’, en Wim stopte het papier in de tas.
‘Vijftien gulden dan, omdat u zo’n verre reis hebt gemaakt. U bent toch niet van hier?’
‘Nee, ik kom uit Hoorn’, zei Wim en op het moment dat hij het zei wist hij dat hij teveel gezegd had.
‘Hoorn’, zei de antiquair tegen zichzelf. ‘Natuurlijk, ik had het kunnen weten.’
Wim maakte aanstalten de winkel te verlaten, maar de handelaar kwam achter zijn toonbank vandaan en riep hem na: ‘Vijfentwintig gulden dan, omdat u helemaal uit Hoorn hierheen bent gekomen.’
‘Nee’, zei Wim beslist en stapte haastig de zaak uit.
Door het gerinkel van de deurbel heen dacht hij nog het bedrag van honderd gulden te horen, maar hoeveel de oude man ook zou bieden, hij was ervan overtuigd dat er iets niet klopte. Als deze man zo veel wil bieden is het vast meer waard, dacht hij. Bovendien leek hij het papier te kennen.
Hij draaide zich nog eenmaal om naar de winkel waar de handelaar nu heftig gebarend aan het telefoneren was.

Een vreemde winkel, dacht Wim en klemde de aktetas met het papier stevig onder zijn arm en liep naar de Bijenkorf waar zijn vrouw nog steeds aan het winkelen was.

Hoorn, april 2012

Matthijs Brink zette zijn bril recht, een gewoonte van hem sinds hij op zijn twaalfde was gaan brillen. Nu was hij bijna dertig en een net gepromoveerd historicus met een enorme studieschuld. De studie was lang en interessant geweest en hoewel hij er als kind altijd van had gedroomd in exotische landen nieuwe ontdekkingen te doen, had zijn studie hem niet veel verder gebracht dan de kelders van een dependance van het Westfries Museum in Hoorn. In zijn fantasie had hij echter wel veel gereisd in verre, vreemde landen, maar hij wist nu beter. Echte ontdekkingen worden gedaan in de geklimatiseerde kelders van musea en niet op exotische locaties.
Kromgebogen over de kaarten van De Wit droomde Matthijs desondanks vaak weg. In gedachten liep hij door een onbekende jungle in Indonesië, op zoek naar een nog veel onbekender tempel met daarin verborgen schatten die er op wachten om door hem ontdekt te worden. Belaagd door muskieten en de lokale bevolking die al eeuwen de tempel met hun leven bewaakten hakte hij zich met een machete een weg door het woekerende groen. Hij zette zijn tropenhelm even af waardoor zijn enorme bos krulhaar tevoorschijn kwam en veegde met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd.
Plotseling was hij omsingeld door de inlandse bevolking, hun pijlen en speren op hem gericht. Met de weinige kennis die hij had van de taal probeerde hij duidelijk te maken dat hij goede bedoelingen had. Dit leek te werken, want plotseling riepen de mannen die hem omsingeld hadden opgewonden naar elkaar en bogen ze diep voor hem en voor hij besefte wat er gebeurde werd Matthijs meegenomen naar hun tempel. Hier stond een beeld van hun belangrijkste god, met hetzelfde gezicht als Matthijs, lang en mager met licht uitpuilende ogen, wat nog versterkt werd door zijn bril die zijn ogen nog groter leek te maken. Het was wonderbaarlijk, zelfs zijn uitstekende jukbeenderen en zijn krulhaar was in het verweerde steen voor hem uitgehouwen.

‘Matthijs, zit je weer te dromen?’
Matthijs keek op van de kaart en rechtte zijn rug. Het was mevrouw Donkers, een vrouw van ongeveer vijftig jaar, maar Matthijs had haar nooit naar haar leeftijd durven vragen en hoewel iedereen in het museum haar voornaam wist, noemde iedereen haar mevrouw Donkers. Ze had een stevig postuur en kortgeknipt haar dat altijd slordig geverfd leek te zijn. Matthijs vermoedde dat het haar eigen haarkleur was, maar het leek hem beter ook daar geen vragen over te stellen. Mevrouw Donkers was onmisbaar in het museum. Ze was de spil waar alles altijd om leek te draaien en hoewel ze geen onderzoekster of conservator was, lag alles stil als ze een vrije dag had of op vakantie was. Ze nam de telefoon aan, zorgde voor de post, regelde vervoer, ontving gasten, kortom meer dan een duizendpoot. Voor Matthijs was mevrouw Donkers vooral van belang voor de koffie. Ook nu.
‘Wil je koffie, Matthijs?’
Matthijs knikte enthousiast. ‘Lekker.’
‘Je moet er niet zo veel van drinken, dat is slecht voor je’, zei ze terwijl ze zijn mok vol schonk. ‘Waar zat je nu weer over te dromen, spannende avonturen?’
Matthijs keek diep in zijn mok en zijn bril besloeg.
‘Hoe heeft zo’n dromer als jij ooit kunnen studeren?’ zei ze hoofdschuddend.
Matthijs haalde zijn schouders op en grijnsde wat, bedankte voor de koffie en boog zich weer over de kaart van De Wit.

Rond 1629 werd Frederick Hendrickszn de Wit geboren in Gouda. Het was de Gouden Eeuw en hoewel de Nederlanden nog in oorlog waren met Spanje, bruiste het bevrijde deel van het land van de activiteit. Frederick was zoon van een hechtmaecker, maar hij was vastbesloten om zijn vader niet in diens zaak op te volgen want het maken van handvatten voor messen had niet zijn interesse. Zijn passie was het maken van gravures en vooral het maken van kaarten en dat kon hij als geen ander.
In 1648, hij was net negentien, verhuisde hij naar Amsterdam om daar als graveur en kaartenmaker zijn geluk te beproeven. Nog in hetzelfde jaar maakte hij zijn eerste kaart, een stadskaart van Haarlem en het was duidelijk dat De Wit aanleg had voor het maken van kaarten. Andere kaarten volgden snel en al in 1654 opende hij in de Kalverstraat de drukkerij De Drie Crabben. Hoewel de zaak succesvol was veranderde hij de naam van de onderneming het volgende jaar in de Witte Pascaert, een meer passende naam vond hij zelf. De Wit was toen al bekend, maar zijn grote roem als cartograaf moest nog komen.
In 1664 werd hij lid van het Sint-Lucasgilde, dat exclusief voor kunstenaars en kunstambachtslieden was, zijn werk nam in omvang toe en daarmee groeide ook zijn faam. Hij maakte kleurrijke stedenboeken, wereldkaarten en atlassen, en vanwege de fijne details waren zijn kaarten internationaal gewild. In 1689 kreeg hij van de Staten Holland en West-Friesland het alleenrecht om zelf zijn kaarten te publiceren en te verkopen.
Tijdens het hoogtepunt van de Gouden eeuw voer de VOC de wereld over en het waren onder anderen de kaarten van De Wit die dat mogelijk maakten.
Zijn gedetailleerde kaarten verschenen niet alleen in boekvorm, maar er waren ook metersgrote exemplaren die de wanden sierden van de vergaderkamers van de West Indische Compagnie en de Verenigde Oostindische Compagnie. Het was in die tijd gewoonte deze grote kaarten in een vijfluik uit te geven, met op elke kaart een van de toen bekende werelddelen: Europa, Azië, Afrika en Amerika. Om het vijfluik compleet te maken werd het afgesloten met een wereldkaart.

Het was een van deze kaarten die Matthijs bestudeerde. Hij bekeek de gedetailleerde digitale kopie nauwgezet en beoordeelde de uitgevoerde restauratie. Hier en daar waren hem wat eigenaardigheden opgevallen en hij had er aantekeningen van gemaakt om die later met het origineel te kunnen verifiëren.
Hij vergrootte het beeld verder en bestudeerde de teksten die op de kaart stonden geschreven en hoewel het zijn dagelijkse werk was, bleef hij zich verbazen over de details en nauwkeurigheid van de kaart.
Hij staarde dromerig naar het gebied dat tegenwoordig in het noorden van Vietnam ligt. Op de kaart stond het met sierlijke, maar duidelijk letters aangegeven als Tonquin.

Tonquin, 1647


Jan van Riebeeck keek in zijn atlas naar de streek waar hij nu was, Tonquin, en slaakte een diepe zucht. Hij had het hier goed gehad, de handel in zijde lag hem goed en hij was in korte tijd een rijk man geworden, maar desondanks kookte hij nu van woede. Knarsetandend sloeg hij de atlas met een klap dicht. Zijn beide handen waren gebald tot machteloze vuisten waarmee hij nu op de atlas leunde. Hij keek door het raam naar buiten, half ineengedoken als een roofdier dat zijn prooi bespiedt. Vanuit zijn woning kon hij de Rode Rivier zien waarvan het water traag, bijna deftig naar de zee stroomde. In de verte lag een schip in de stroom, de zeilen nog gestreken, maar het was er een drukte van belang met sloepen en mensen die goederen aan het laden waren.
Verbitterd keek hij naar de bedrijvigheid, rechtte zijn rug en friemelde met zijn vingers aan de kanten kraag in een poging deze iets losser te maken en eventjes meer lucht te kunnen krijgen. Het was heet en het zwarte laken pak met de knellende kraag maakte het leven in deze streken niet eenvoudiger.
Hij keerde zich af van het levendige tafereel, ijsbeerde onrustig door de kamer en mopperde in zichzelf. In een hoek van de eenvoudige ruimte stond zijn lokale assistent, Ðinh Troc, een inwoner van Tonquin, gedwee te wachten.
‘Hoe durven ze’, mopperde hij tegen de assistent. ‘Zonder mij zouden ze het hier niet redden. Ik heb hier in korte tijd een fantastische carrière opgebouwd, van onderkoopman tot waarnemend commandant. Wie kan me dat nazeggen? De handel in zijde bloeit meer dan ooit, iedereen plukt de vruchten van mijn werk en dan durven ze me terug te roepen. Het is schandalig!’
Onderdanig knikte zijn Vietnamese assistent bevestigend.
Van Riebeeck pakte de brief die op de tafel lag en las hem nogmaals, alsof hij daardoor de inhoud kon veranderen. Maar het stond er nog steeds. Vanwege zelfverrijking werd hij ontheven van zijn functies en teruggeroepen naar Amsterdam.
‘Net of ik de enige ben’, schreeuwde hij het uit en smeet de brief op de vloer. Op zijn voorhoofd klopte een dikke ader.
Ðinh Troc kromp ineen. Hij kende de grillen van Van Riebeeck.
‘Iedereen hier is corrupt, en nu moeten ze mij hebben’, tierde hij verder met gebalde vuisten. ‘Maar ik zal ze krijgen. Ik hoef alleen maar een kleine wijziging in het logboek te maken en de grootste aanwinst van de Compagnie zal aan hun neus voorbij gaan. Ha! Wat ik heb ontdekt kan de VOC rijker maken dan ze ooit durven dromen, een ontdekking van mythische proporties die de wereld zal veranderen, maar van mij zullen ze het niet meer te horen krijgen.’
Van Riebeeck knipte met zijn vingers en maakte een bevelend gebaar naar zijn assistent.
‘Ik heb enige tijd geleden een advies geschreven, dat heb ik nu nodig. Haal het voor me. Nu!’ commandeerde hij kortaf en gaf een beschrijving van het papier.
Ðinh Troc liep de kamer uit en Van Riebeeck ijsbeerde weer door de kamer. De planken vloer kraakte bij elke stap onder zijn voeten. Langzaam begon hij wat af te koelen en weer tot zichzelf te komen, maar dat veranderde toen hij naar buiten keek en in de verte de masten zag van het schip dat lag afgemeerd. Het werd beladen, er werd handel gedreven en veel geld verdiend, maar dit keer zonder hem, Jan van Riebeeck, waarnemend commandant in Tonquin. Langzaam bouwde de woede zich weer in hem op.
Hij zou vandaag nog met dat schip naar Batavia moeten varen om daarna uitgerekend onder Wollebrant Geleyns de Jongh terug naar Amsterdam te varen. De uitslover, dacht hij. Zijn woede nam toe toen hij dacht aan deze man die het van weesjongen had geschopt tot lid van de Raad van Indië. Hij leek onomkoopbaar en had een hekel aan vriendjespolitiek.
Van Riebeeck zuchtte en dacht aan de Compagnie die hem terug had geroepen en aan zijn neef Antonio van Diemen. Tot aan zijn dood twee jaar geleden was Antonio Gouverneur-Generaal van Indië geweest en zonder hem zou hij nu niet hier zijn.
Als hij nog leefde zouden ze mij nooit hebben teruggeroepen, dacht hij. Ze zouden het niet eens gedurfd hebben. Alsof ik de enige ben binnen de VOC die op eigen gewin uit is.
Jan van Riebeeck had snel carrière gemaakt en dankzij de Compagnie had hij een goed leven, maar nu leek zijn mooie leventje voorbij. Voor zichzelf had hij er een verklaring voor. Ze willen me weg hebben, want ze zijn bang voor me! Hij vloekte in zichzelf en keek verstoord op toen er op de deur werd geklopt.
Het was Ðinh Troc met de brief ‘Advises door den coopman Jan van Riebeeck ean den heeren bewinthebberen over den handle in Tonkin.
‘Dank je’, gromde hij binnensmonds, griste het papier uit de handen van zijn assistent en ging aan zijn schrijftafel zitten. Hij zag in een ooghoek dat Ðinh Troc er nog stond en hij keek eventjes geïrriteerd op en gaf met een kort handgebaar aan dat verdere hulp niet nodig was.
Nadat zijn assistent de deur uit was gelopen pakte Van Riebeeck een nieuw vel papier, doopte zijn veer in de inkt en herschreef met een vergenoegde glimlach om zijn mond de brief.
Met het schrijven bekoelde zijn woede en toen hij klaar was had het plaatsgemaakt voor een voldaan gevoel waarna hij het ter controle nogmaals las. Alle verwijzingen naar zijn ontdekking had hij er zorgvuldig uit gehaald.
Zo, dacht hij, de originele brief houd ik zelf maar bij me, die is veel te waardevol. Ze moesten eens weten, die sukkels in Amsterdam en Middelburg. Zodra ik mijn kans krijg ligt de wereld aan mijn voeten, maar eerst moet ik helaas mee naar Batavia en Amsterdam, maar bij de eerstvolgende gelegenheid ga ik weer terug.
Tevreden met zichzelf liep hij daarna zijn kantoor uit, gaf de herschreven brief aan zijn assistent om op te bergen en begaf zich zelfvoldaan naar de haven. Hij bracht nog een kort beleefdheidsbezoek aan Antony van Broekhorst, de opperkoopman van Tonquin en stapte later die middag met een brede glimlach op de sloep die hem naar het schip bracht. Zijn woede was geheel verdwenen en had plaatsgemaakt voor tevredenheid dat de Compagnie niet wist wat hij wel wist. ‘Roeien, mannen!’, zei hij opgetogen tegen de matrozen die kromgebogen de sloep voortroeiden. ‘We gaan naar Batavia en dan terug naar Amsterdam’, en tot verbazing van de bemanning barstte hij in lachen uit.

Meer lezen…

Zodra een uitgever geïnteresseerd is – of voldoende lezers enthousiast zijn – zal het hele boek gepubliceerd worden, digitaal of op echt papier. Voor iedereen die daar niet op wil wachten, staat hier het tweede deel.

One Response to XVII – 1

  1. Montse Caobo Martínez zegt:

    Ik zou graag het boek willen lezen !

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*