XVII – 9

XVII – 9

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het negende deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Amsterdam, mei 2012

Op het Centraal Station van Amsterdam liet Matthijs trillend van woede en verontwaardiging de inhoud van de envelop aan Esther zien. Het was een print van een pagina van de grootste nieuwssite met daarop een kort bericht over de inbraak in het Westfries museum. Met een groene markeerstift was de zin die Matthijs zo boos had gemaakt keurig aangegeven.
‘Tijdens het technisch onderzoek in het museum stuitte de politie bij toeval op een grote verzameling kinderporno. De eigenaar van die computer, dr. Matthijs B wordt momenteel door de politie gezocht.’
‘Dat is een grove leugen’, zei Matthijs, kokend van woede.
‘Ja, dat geloof ik direct. Ze moeten dat bij de inbraak op je computer hebben gezet en een val hebben geplaatst, hoe kan de politie het anders bij toeval vinden?’
Er zat een geel zelfklevend notitiebriefje bij: ‘Alleen wij kunnen je onschuld bewijzen.’
‘Niet te geloven’, brieste Matthijs.
‘Ze zijn tot alles in staat’, zei Esther zakelijk. Met haar kalme toon probeerde ze Matthijs tot rust te brengen. ‘Zit er nog meer in de envelop?’
Matthijs haalde er nog een vel papier uit, deze bevatte geprinte instructies.
‘Neem de trein naar Schiphol en check in voor vlucht KL591 naar Kaapstad. We hebben de vlucht voor je opgehouden en je ticket ligt klaar bij de balie. Als je weigert of de politie inschakelt zal je professor het niet kunnen navertellen.’
Eronder zat een vaag geprinte foto van zijn prof, een verslagen blik in zijn ogen, een blauw oog en schrammen op zijn gezicht. Het geheel was ondertekend met XVII.
Matthijs’ mond viel open van verontwaardiging. ‘Maar… hoe… Hebben ze een vlucht opgehouden?’
‘We nemen het op tegen een machtige vijand, Matthijs’, zei Esther kalm.
‘We?’

Eenmaal op Schiphol was Esther niet te vermurwen en hoe Matthijs ook op haar inpraatte, ze wilde mee naar Zuid-Afrika.
‘Het is veel te gevaarlijk’, zei Matthijs zo overtuigend mogelijk.
‘Denk je echt dat jij die mensen aankunt? Je weet geeneens tegen wie je het opneemt’, zei Esther.
‘En jij weet dat wel?’ daagde Matthijs haar uit.
‘Ik denk dat ik het beter weet dan jij. Kom, we hebben nog wat te doen, we moeten al bijna inchecken.’
‘Wat hebben we nog te doen?’ verzuchtte Matthijs en legde nadruk op het woordje ‘we’, maar Esther nam hem al bij de arm mee naar de KLM balie. Hier haalden ze Matthijs’ ticket op en kochten ze ook nog een ticket voor Esther.
‘U vliegt ook vandaag?’ vroeg de grondstewardess met een licht wantrouwen in haar stem. De stewardess was een stevig gebouwde vrouw van tegen de veertig met kortgeknipt haar en een bijna onnatuurlijk bruine huid die gedroogd en gerimpeld was door vele jaren van te veel zon en veel te veel zonnebank. ‘Linda Oostingh’, stond op haar naambordje.
‘We hebben toch maar besloten samen te gaan’, zei Esther onschuldig en om de KLM medewerkster te misleiden sloeg ze haar arm om Matthijs heen en keek hem verliefd aan. Als hij het maar meespeelt, dacht ze.
Matthijs voelde zich duidelijk niet op zijn gemak en grijnsde schaapachtig waarop Esther hem zachtjes een por in zijn zij gaf.
De stewardess leek een beetje nerveus te zijn en maakte een paar keer een fout in het boekingssysteem en haar voorhoofd werd langzaam vochtig van het zweet. Terwijl Linda telkens haar hoofd schudde en zei dat ze geen ticket kon vinden, pakte Esther haar mobieltje en zocht daarmee op internet naar de beschikbaarheid van tickets.
‘Ik zie hier dat er nog voldoende lege plaatsen zijn’, zei ze onschuldig en wees op het schermpje van haar telefoon.
Linda glimlachte gemaakt. ‘Ah, ik zie het nu ook. Ik keek op de verkeerde datum dat komt door de vertraging die we met die vlucht hebben. Het ziet er naar uit dat u gelukt heeft.’ Haar stem was hees.
Het ticket naar Kaapstad was snel geboekt en bovendien konden ze direct inchecken, waarna Esther Matthijs meetrok naar de winkels. Ze waren amper weg van de balie of de grondstewardess pakte haar privé-telefoon uit haar designer-tas en belde bezorgd iemand op.
‘Ik wachtte al op uw telefoontje mevrouw Oostingh. Is hij ingecheckt?’
‘Ja, ik kan bevestigen dat hij zijn ticket heeft opgehaald en is ingecheckt. Er is echter iets dat u moet weten: hij reist niet alleen, een vrouw heeft samen met hem ingecheckt.’
‘Wat zegt u? Wie was dat?’
De stewardess keek op haar computerscherm. ‘E. Broding, miss.’
Het bleef heel even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Ik dank u, mevrouw Oostingh.’
De stem klonk alsof het gesprek was afgelopen.
‘En mijn geld?’ vroeg de stewardess gehaast.
‘Zoals afgesproken worden uw gokschulden kwijtgescholden.’
De verbinding werd verbroken.
De stewardess was opgelucht maar ze keek ook bezorgd. Ze begon zich af te vragen met wie ze in zee was gegaan en of ze er wel verstandig aan had gedaan meer te zeggen dan nodig was geweest, maar nu wist ze in ieder geval zeker dat ze geen schulden meer zou hebben. Stel dat ze er achter zouden zijn gekomen dat ze informatie had achter gehouden, wie weet wat er dan zou zijn gebeurd.
Veel tijd om haar zorgen te overpeinzen had ze niet, want de volgende klant stond alweer te wachten. Gelukkig maar, dacht ze, opgelucht haar knagende geweten even te kunnen negeren. Een oudere Indonesische heer met grijs haar, een borstelig snorretje en Hawaii-shirt stond vriendelijk glimlachend te wachten tot hij aan de beurt was.
‘Waarmee kan ik u helpen meneer?’ vroeg Linda.
‘Het spijt me dat ik de vorige klanten heb kunnen horen, maar ook ik wil naar Kaapstad. Mijn zoon woont daar en is bijna jarig en ik wil hem verrassen. Is er nog plaats voor mij op de vlucht van vandaag?’ sprak de man duidelijk articulerend.
‘Kaapstad is populair vandaag’, grapte Linda en opende het boekingssysteem.
‘Het is er ook heel mooi mevrouw.’

Esther trok Matthijs mee naar een pinautomaat en haalde het maximale bedrag dat mogelijk was van haar rekening.
‘Ik raad je aan dat ook te doen. We zullen het geld nog hard nodig hebben.’
Matthijs twijfelde.
‘Als we geld pinnen zijn we te traceren. Dat wil je toch zeker niet?’ zei Matthijs.
‘Dat zijn we toch wel. Het is nu belangrijker voldoende cash geld te hebben voordat onze rekeningen geblokkeerd worden.’
‘Je zult wel gelijk hebben’, zei Matthijs een beetje onzeker en pinde van allebei zijn rekeningen het maximale bedrag.
‘Wat denk je van die stewardess zojuist?’ vroeg Matthijs.
‘Hetzelfde als jij, ik vertrouw het niets en het kan maar een ding betekenen, dat de XVII nu ook weten dat ik met je meereis. Dat is wel een tegenvaller, ik had niet verwacht dat ze mij al zo snel op het spoor zouden komen.’
‘Ja’, zei Matthijs en keek een beetje somber. ‘Weet je zeker dat je hierin meegaat? Ik bedoel, helemaal naar Kaapstad en we weten geeneens waarom.’
Esther keek hem met licht medelijden aan. Arme Matthijs, dacht ze, ik weet beter waarom dan jij.
‘Ik heb besloten om aan de ellende die mijn familie al zo lang volgt een einde te maken’, zei ze, ‘en als ik daarvoor naar Kaapstad moet, dan doe ik dat.’

In de wachtruimte was het onrustig want de vertraagde reizigers begonnen meer en meer hun geduld te verliezen. Verspreid over de praktisch ingerichte ruimte praatten groepjes passagiers opgewonden met elkaar terwijl anderen juist berustend op de stoelen hingen of zelfs verveeld op de grond lagen. Matthijs was net met Esther de ruimte binnengekomen en zat nu vol spanning te wachten om te kunnen boarden. Hij probeerde zich voor te stellen tegen wie hij het op moest nemen en vroeg zich af wie Esther eigenlijk was en waarom zij blijkbaar wel wist tegen wie ze het op moesten nemen. Hij duwde gewoontegetrouw zijn bril op zijn neus, kauwde nerveus op kauwgum en zat kromgebogen op zijn stoel naar de vloer te staren.
‘Doe eens rustig’, sprak Esther kalm.
‘Ik kan niet rustig doen, ze hebben mijn prof gegijzeld, we worden door de politie gezocht en nu moeten we halsoverkop naar Kaapstad om weet-ik-wat te gaan doen’, siste hij.
‘Druk maken helpt je niet, dan wordt het alleen maar erger.’
‘Jij hebt makkelijk praten, jij wordt niet gezocht door de politie.’
‘Nee, maar door degene die achter jou aanzitten, zit mijn moeder in een rolstoel. Bovendien hebben ze mijn opa en oma vermoord.’
Matthijs stopte met kauwen en keek haar met open mond aan.
‘Dat meen je niet’, zei hij.
‘Ik meen het wel en er is nog veel meer, die lui deinzen nergens voor terug, maar dat vertel ik je wel een keer als we alleen zijn, er zijn nu te veel mensen.’
Matthijs keek om zich heen. In de wachtruimte zaten een paar honderd mensen. Mannen, vrouwen, kinderen en baby’s. Ze konden inderdaad afgeluisterd worden, maar wie zou dat moeten doen en waarom.
‘Je ziet het niet hè?’ zei Esther.
Matthijs keek rond en zag het inderdaad niet, de gewone mix van terugkerende toeristen met posters van Van Gogh en doosjes bloembollen, vertrekkende toeristen met fototoestellen, zakenmensen in pak en mensen die op familiebezoek gingen of daar juist vandaan kwamen.
‘Niet omkijken, maar twee rijen achter ons zit een Indonesisch mannetje. Hij achtervolgt ons al sinds Amsterdam’, fluisterde Esther in Matthijs’ oor.
Zijn eerste reactie was om zich direct om te draaien, maar Esther beet hem toe: ‘Niet omkijken.’
‘Dat kan toeval zijn, als hij ook naar Zuid-Afrika gaat is de kans groot dat we samen gereisd hebben.’
‘Dat zou kunnen, maar ik vind het te toevallig, zeker met deze vertraagde vlucht. Bovendien denk ik hem al eens eerder gezien te hebben.’
‘Attentie dames en heren, allereerst onze excuses voor de vertraging ontstaan door een technisch mankement, maar vlucht KL591 naar Kaapstad is nu gereed voor boarding’, zei een grondstewardess door de microfoon en voor ze kon zeggen dat gezinnen met kleine kinderen en eerste klas passagiers eerst konden, stonden de meeste mensen al op en ergens begon iemand zelfs te klappen van opluchting.
‘Goed, we gaan’, zei Esther. ‘Onthoud dat we in het vliegtuig ook niet vrijuit kunnen praten.’
Matthijs knikte. In de chaos die ontstaan was om te kunnen boarden had hij inderdaad een Indonesisch mannetje gezien. Hoewel hij nog steeds dacht dat het toeval kon zijn dat die man hier ook was, had hij zich voorgenomen meer op Esther te vertrouwen. Tot nu toe had ze telkens gelijk gehad.
‘Hoe lang is het vliegen?’
‘Ik denk een uur of elf, twaalf’, zei Esther.
‘Dat geeft de anderen wel een voorsprong’, zei Matthijs zacht.
Esther keek hem verbluft aan. Hij heeft gelijk, dacht ze geschrokken.

De Schattenberg, 9 oktober 1950

Ruud Donkers ijsbeerde heen en weer door de barak. Hoe lang was hij nu al hier in De Schattenberg? Hij wist het zelf bijna niet meer, maar het waren al verscheidene maanden. Samen met Roy, zijn negenjarig zoontje, wachtte hij al die tijd gespannen op bericht van zijn opdrachtgever, maar tot zijn groeiende ongerustheid was dat tot nu toe uitgebleven.
Hij keek de houten barak in en het stemde hem niet vrolijk want het bouwwerk was benauwd en vreugdeloos. Buiten was het guur en daarom zat iedereen binnen waardoor het erg vol was, en dan was het nog wel donderdag en dus rustig. De meeste mannen waren doordeweeks weg omdat ze als KNIL-militairen ergens in Nederland dienst moesten doen. In de weekeinden was het pas echt druk, dan was iedereen hier en vooral bij slecht weer als iedereen binnen moest blijven was het onaangenaam. Het vervelende was bovendien dat het hier in Nederland altijd slecht weer leek te zijn.
Toch was achterblijven in de nieuwe Republiek Indonesië geen optie geweest voor Ruud en hij had vaak gebeld met zijn opdrachtgever om duidelijke afspraken te maken over zijn verblijf en werkzaamheden in Holland.
De wekenlange tocht van Indonesië naar Holland per schip stond nog in zijn geheugen gegrift en hoewel hij voldoende realiteitszin had om te beseffen dat de passagiers niet met een fanfare opgewacht zouden worden, was de aankomst in Rotterdam toch een bittere teleurstelling. De opvarenden werden in de haven opgewacht door bussen en alsof ze misdadigers waren direct doorgereden naar De Schattenberg.
Het waren al zware jaren geweest voor Ruud, een periode waar hij niet graag over praatte. Nadat de Jappen hem lange tijd in een kamp hadden opgesloten, gescheiden van zijn gezin, moest hij daar tijdens de oorlog die na de bevrijding uitbrak nog lange tijd blijven voor zijn eigen veiligheid en hij kwam er tot zijn intens verdriet pas laat achter dat zijn vrouw de kampen niet had overleefd. Een lange zoektocht verenigde hem weer met zijn zoontje en uiteindelijk kon het tweetal met de boot naar Nederland om direct naar De Schattenberg overgebracht te worden.
De meeste bewoners van De Schattenberg wisten niets van de oorsprong van de barakken af, maar Ruud was slim en had al snel de achtergrond ontdekt. De Indonesiërs waren niet de eerste bewoners, precies elf jaar eerder waren de eerste Joodse vluchtelingen De Schattenberg ingetrokken.

Hoewel er al een bescheiden stroom, voornamelijk Joodse, vluchtelingen uit Duitsland naar Nederland was gekomen, nam hun aantal na de Kristallnacht van 9 november 1938 enorm toe. Van harte welkom waren zij echter niet. Tot aan het begin van de oorlog in Nederland werden tienduizend Joodse vluchtelingen toegelaten uit Duitsland, veel anderen kwamen illegaal aan, zeker nadat Nederland op 15 december 1938 de grenzen voor vluchtelingen had gesloten.
De illegalen werden ongewenst vreemdeling verklaard en omdat de Nederlandse regering geen geld aan hen wilde uitgeven zwierven velen in een uitzichtloze situatie van kamp naar kamp. Uiteindelijk werd toch besloten tot de bouw van een vluchtelingenkamp nabij Elspeet op de Veluwe. Dit stuitte echter op grote bezwaren van omwonenden en de ANWB die vond dat de Veluwe voor recreanten toegankelijk moest blijven maar het was vooral koningin Wilhelmina die de bouw tegenhield. Ze wilde geen vluchtelingenkamp op 12 kilometer van Paleis het Loo, het kon haar Koninklijke goedkeuring daarom niet wegdragen, waardoor een andere bouwlocatie moest worden gezocht. Uiteindelijk werd op de woeste gronden van Drenthe, ver van de bewoonde wereld, een geschikte bouwlocatie gevonden, midden in troosteloze en uitgestrekte heide- en zandvelden.
Op 9 oktober 1939 arriveerden de eerste bewoners bij Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork, zoals het toen nog heette, gebouwd door arbeiders in de werkverschaffing en betaald door de Joodse gemeenschap in Nederland.
Na de Duitse inval verslechterde de situatie in het kamp en op 1 juli 1942 werd het kamp een Polizeiliches Judendurchgangsanlager, een doorgangskamp voor Joden. Geholpen door de perfecte persoonsbewijzen van Jacob Lentz en de hoge efficiëntie van de Nederlandse overheid was de Jodenvervolging verhoudingsgewijs nergens zo compleet als in Nederland. Driekwart van de Nederlandse Joden overleefde de Holocaust niet en terwijl de Nazi’s in Frankrijk en België de verwachtingen wegens tegenwerking telkens naar beneden moesten bijstellen, werd in Nederland het verwachte aantal te deporteren Joden geregeld overtroffen. Zo’n 107.000 mensen werden van Westerbork naar de vernietigingskampen afgevoerd. Slechts 5000 hebben het overleefd.
Na de oorlog werd Kamp Westerbork een interneringskamp voor NSB’ers en collaborateurs zoals de antiquair Leendert Van Ghoor, daarna korte tijd een militair kamp om vervolgens te worden omgedoopt tot De Schattenberg en het een repatriëringskamp werd voor Indische Nederlanders.
Een woelige geschiedenis in elf jaar tijd, dacht Roy, De Schattenberg als schaduwzijde van de Nederlandse samenleving, een plek waar plaats is voor iedereen die men wil vergeten.

‘Ruud Donkers?’ vroeg een Nederlander die de barak was binnen komen stappen. Druilerige regen droop van zijn hoed af die hij bij het binnengaan afnam.
Ruud keek verrast op en liep naar de man toe.
‘Ik kom hier namens uw opdrachtgever, de erven van de la Queillerie.’
‘Sst, niet zo hard’, siste Ruud en hij keek om zich heen of niemand het had gehoord, maar als dat al zo was liet niemand het merken, want iedereen ging door met zijn dagelijkse bezigheden.
‘Excuses’, zei de man beleefd. ‘Maar ik kom u mededelen dat ik u namens uw opdrachtgever naar een geschikter verblijfplaats kan brengen.’
De man keek met nauwelijks onderdrukte afschuw de barak rond.
‘Ik denk dat u en uw zoontje het pand van uw opdrachtgever aan de Herengracht passender zult vinden.’
Ruud glimlachte bij het horen van het adres. Hoewel het geen betrekking had op de Heeren XVII, vond hij de naam in ieder geval bijzonder toepasselijk.

Lees verder

Klik hier voor de volgende drie hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*