XVII – 8

XVII – 8

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het achtste deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Hoorn, mei 2012

Hoorn, 24 november 1942
‘Zijn ze weg?’ vroeg Zwaantje met grote angstige ogen aan haar man.
Ze had haar armen beschermend om de driejarige Grietje geslagen toen de Duitsers bij de buren binnen waren gevallen en stond nog te trillen op haar benen. Evert tuurde door een kiertje langs de dikke gordijnen en stelde vast dat het buiten helemaal leeg was.
‘Ja, ze zijn weg.’
Evert en Zwaantje Peters haalden opgelucht adem. Het had maar weinig gescheeld. Waarschijnlijk had iemand hen verraden, maar het verkeerde adres doorgegeven. Hoe erg het ook was voor de buren Broding, het zou rampzalig zijn geweest als ze bij hen binnen waren gevallen. Zwaantje streek met haar nog trillende hand over het zwarte haar van haar tijdelijke dochtertje.
In juni waren Zwaantje en Evert op bezoek geweest bij hun oude schoolvriend David Solomon. David was sinds de schooltijd verhuisd naar Amsterdam, getrouwd met Rachel en samen hadden ze een dochtertje, Daniëlle. Ze hadden tijdens hun laatste bezoek voorzichtig gesproken over de donkere tijden. David was somber, hij en zijn vrouw moesten sinds enkele tijd een Jodenster dragen. Het vernederende voorwerp, gemaakt in de Enschedese textielfabriek De Nijverheid die nota bene Joodse eigenaren had, hadden ze tot woede van David zelf moeten betalen.
David was sinds die dag niet meer dezelfde en de voorheen zo goedlachse man was neerslachtig geworden. Het dragen van de ster had hem bijna gebroken.
‘Wat staat ons nog meer te wachten?’ had hij vertwijfeld tegen Evert uitgeroepen.
Rachel had hem geprobeerd gerust te stellen. ‘De Joodsche Raad zal ons toch zeker wel helpen en beschermen?’
David werd boos en vroeg zich wanhopig af waarom niemand in Nederland hen hielp. ‘Ons niet helpen is toch hetzelfde als de Nazi’s steunen?’
Hij keek Evert vragend, bijna smekend aan.
‘De mensen zijn bang’, zei Evert die zichzelf ook niet dapper vond.
‘Ziet dan niemand dat het stapje bij stapje erger wordt? Eerst mogen we niet naar de bioscoop, er staat een ‘J’ op ons persoonsbewijs, we moeten een Jodenster dragen… Wat willen ze van ons? Wat hebben we gedaan?’
Evert zweeg en voelde zich schuldig, want ook hij had niets gedaan of kunnen doen.
‘Hoe kunnen we jullie helpen?’ vroeg Zwaantje met tranen in haar ogen en toen was langzaam het idee ontstaan.
Om hun dochtertje Daniëlle te beschermen, hadden David en Rachel na lang beraad het pijnlijke besluit genomen haar onder te brengen bij de familie Peters. Als deze nachtmerrie ooit voorbij zou zijn, dan zouden ze haar weer ophalen, maar tot die tijd zou Daniëlle veilig zijn bij hun vrienden Evert en Zwaantje. Het echtpaar had altijd al een kinderwens, maar dat geluk leek niet voor hen te zijn weggelegd en daarom hadden ze maar al te graag toegestemd. Het was bovendien het minste dat ze konden doen om hun vrienden te helpen.
Evert en Zwaantje beseften het gevaar dat ze liepen en hadden Daniëlle aan iedereen voorgesteld als hun nichtje Grietje die een tijdje bleef logeren nu haar vader in Duitsland moest werken in de Arbeitseinsatz.

Omdat steeds meer Duitsers aan het front vochten had de Duitse industrie mensen nodig in de fabrieken. Daarom werd op 1 januari 1942 iedere Nederlander tussen de 18 en 23 jaar gedwongen te werken voor nazi-Duitsland. De verklaring over Grietjes aanwezigheid die Evert en Zwaantje gebruikten wekte dan ook geen argwaan, want honderdduizenden Nederlanders waren in Duitsland tewerk gesteld, een lot dat uiteindelijk vele miljoenen Europeanen zou overkomen. Onvrijwillig werkten ze voor de Duitse oorlogseconomie in fabrieken die telkens weer gebombardeerd werden door de geallieerden.

Het afscheid dat David en Rachel van hun dochter hadden genomen was hartverscheurend geweest, alsof ze wisten welk noodlot hen te wachten stond. Om geen argwaan te wekken hadden ze afgesproken tot aan de bevrijding, wanneer die ook zou komen, geen contact meer te zoeken. Hoewel ze wist wat er aan de hand was, was Danielle de eerste weken stil en huilde veel, maar ze wende aan haar nieuwe tijdelijke ouders, accepteerde haar nieuwe naam en nu, na ruim drie maanden maakte Grietje bijna gewoon deel uit van het gezin. Soms sprak ze Evert zelfs spontaan als papa aan en Zwaantje als mama.
Van de Solomons was vorige week een kaart gekomen waarop in haastig handschrift gekrabbeld stond dat ze naar Westerbork moesten. Evert had geen idee wat de bedoeling was van deze deportatie, maar hij en Zwaantje hadden de kaart niet aan Grietje laten zien. Ze was nog te jong om het te begrijpen en ze wilden haar niet van streek maken. Wel hadden ze de kaart zorgvuldig bewaard, verstopt in een boek, samen met de foto’s van Grietjes ouders. Het boek was zorgvuldig en onopvallend opgeborgen in de kleine boekenkast.
Alles leek goed te gaan, tot deze avond toen er een militair voertuig vol Duitse soldaten en SS-ers voor de deur stopte. Evert en Zwaantje wisten van schrik niet wat ze moesten doen. Ze hadden zich al die tijd veilig gewaand. Wie ze had verraden wisten ze niet, maar deze persoon had tot hun geluk een vergissing gemaakt. Ze waren bij de buren binnengevallen en blijkbaar onverrichterzake weer vertrokken.
Grietje huilde zachtjes, want ondanks haar leeftijd voelde ze heel goed de spanning van de oorlog en het onderduiken aan. Evert sloeg zijn armen troostend om zijn vrouw en de kleine onderduikster heen en alle drie bleven ze lange tijd zo staan. Vanuit het huis van buurman Broding drong het troosteloze geluid van het opvegen van scherven door.

Texel, kerstavond 1651

Jan van Riebeeck keek tevreden terug op zijn korte verblijf in Holland. De Compagnie had hem weer aangenomen, hij was getrouwd, had twee zoons gekregen, Lambertus en de helaas jong gestorven Anthonij, en het gezin was vandaag met de ‘Drommedaris’ vertrokken naar het zuidelijkste puntje van Afrika met als doel daar een nederzetting te stichten.
Hoe anders was het een paar jaar geleden. De terugreis vanuit Batavia met de retourvloot had vanwege het oponthoud bij het Portugese Cabo de Boa Esperança lang geduurd. Vele maanden eerder was bij die kaap het schip de ‘Haerlem’ vergaan en nu moesten de schipbreukelingen en vooral de kostbare vracht aan boord worden gebracht.
Het verblijf duurde vele weken, maar Jan van Riebeeck was slim en had zijn tijd nuttig gebruikt en had goed naar de verhalen van onderkoopman Leendert Janszen geluisterd. Hij en zijn bemanning hadden bijna een jaar in dit gebied kunnen overleven. Dat kwam niet alleen door het gunstige klimaat maar vooral ook door de vriendelijke inheemse bevolking die hen niet had aangevallen en waar ze goed mee konden handelen.
Eindelijk weer terug in Holland was Van Riebeeck als eerste naar de Compagnie gestapt om, verontwaardigd over zijn terugroeping, rehabilitatie en een toppositie in Indië te eisen. Omdat de Compagnie niet van plan was hem te rehabiliteren had hij verteld over de goede mogelijkheden voor een kolonie op de Kaap. Dit zou de perfecte verversingspost voor Holland kunnen zijn had hij daar betoogd, met voldoende water en eten en dus geen scheurbuik meer op de lange reis naar Azië.
Wat hij de Heeren XVII niet vertelde was dat hij informatie had die ze rijk en machtig zouden maken. Met de kennis die hij had zou Holland het machtigste land ter wereld worden, dus een hoge positie in Indië was wel het minste dat hij kon vragen, zo vond hij zelf.
Tot zijn grote teleurstelling en verontwaardiging dachten de Heeren XVII daar anders over en wilden ze niet op zijn wensen ingaan en er zat voor hem niets anders op dan zijn eigen plannen te smeden. Hij moest weer weg uit Holland, maar hoe?

Op bezoek bij zijn stiefmoeder en zijn zus in Schiedam had hij zijn vrouw Maria de la Queillerie leren kennen en het jaar daarop waren ze getrouwd. Jan was dertig, Maria tien jaar jonger en na het huwelijk vestigden ze zich uiteraard in Jans huis aan de Egelantiersgracht 98 in Amsterdam waar hij zijn plannetje kon uitwerken. Hij kreeg daarbij hulp van zijn oude vriend Willem Dijckman. Willem was twee jaar ouder dan Jan en net als Jan vroeger was hij chirurgijn. Het belangrijkste voor Van Riebeeck was dat Willem overal connecties had en op een late avond in september had Jan, na lang twijfelen, Willem in vertrouwen genomen en hem verteld over zijn ontdekking en hem de aantekeningen en kaarten die hij in het geheim uit Tonquin had meegenomen laten zien.
Willem had direct het plan opgevat om er een mooie kaart van te maken en Jan dacht nog met plezier terug aan de vele dagen en avonden die ze samen bij de beroemde kaartenmaker De Wit hadden doorgebracht. Jan had De Wit ruimhartig beloond voor het maken van zijn kaart, zijn schatkaart, zoals Van Riebeeck het zelf noemde. De beloning voor de Wit was niet alleen voor het maken van de kaart, maar het was ook zwijggeld. Niemand mocht van het bestaan weten en daarom stond het Van Riebeeck tegen dat er nu al drie personen van zijn grootse ontdekking wisten.
De Wit en Dijckman bleken gelukkig volledig te vertrouwen.
‘En wat ga je met die kaart doen?’ had De Wit hem gevraagd toen de kaart klaar was.
‘Ik bewaar hem zorgvuldig’, had Van Riebeeck gezegd.
Willem Dijckman had zijn hoofd geschud. ‘Dat blijft nooit lang geheim. Iemand zal ooit de kaart zien, je moet hem verbergen op een plek waarvan alleen jij de locatie kent.’
‘Hm… en dan?’ vroeg Van Riebeeck.
‘Dan maken we een kaart waarop de verstopplaats van deze schatkaart is aangegeven’, zei De Wit die zich er op verheugde weer een kaart te kunnen maken.
‘Dat schiet dan weinig op, dan heb ik nog steeds een kaart.’
‘Ik heb een beter plan’, stelde Dijckman voor. ‘We maken een gecodeerde kaart, alleen als je beide delen hebt, is de kaart te lezen.’
‘Doe het dan maar in drieën, voor elk van ons een deel. Kan je dat?’ vroeg Van Riebeeck enthousiast aan De Wit.
De beroemde kaartenmaker dacht enige tijd na. ‘Het zal niet eenvoudig zijn, maar het is mogelijk en ik doe dat graag’, had hij tenslotte aangeboden, hij vond het een mooie uitdaging. ‘Maar… waar ga je de schatkaart verbergen?’
‘Hm… ik weet het niet’, zei Jan van Riebeeck, maar ook nu had Willem Dijckman de oplossing. Tijdens een expeditie in Indië had hij de perfecte locatie gevonden en na een samenzweerderig overleg werd zijn verstopplaats gekozen als de beste.
De maanden die daarna volgden werkte de Wit, op aanwijzingen van Van Riebeeck en Dijckman in het geheim aan een drietal kaarten en alleen met alle drie de kaarten samen was de eigenlijke schatkaart te vinden. Op die manier kon het niet gebeuren dat als iemand per ongeluk een van de kaarten vond ook de schatkaart kon vinden.
Voor De Wit was de schat niet interessant, hij deed veel te goede zaken met zijn kaartenmakerij om zich daar druk over te maken, en toen alle drie de exemplaren gereed waren en Jan hem betaald had gaf De Wit de drie kaarten aan Jan van Riebeeck met de mededeling dat hij geen interesse had in zijn deel.
‘Mijn winkel is mijn schat’, zei de kaartenmaker. ‘Ik heb veel plezier gehad aan het maken van deze kaarten en veel nieuwe technieken moeten leren waar ik nog veel aan zal hebben, meer hoef ik niet.’
Van Riebeeck wist niet wat hij moest zeggen over zo’n gulle gift.
‘Maar kijk uit voor Dijckman, ik vertrouw hem niet…’ fluisterde De Wit met een knipoog, maar zijn grap werd door Van Riebeeck verkeerd begrepen. Jan was even sprakeloos, maar toen begreep zijn achterdochtige brein alles. Het was Willems idee geweest om die drie deelkaarten te maken en het was ook Willem die de verstopplek van de schatkaart had bedacht.
Toen hij even later de winkel uitliep keek De Wit hem hoofdschuddend na.

Rond deze tijd bezat de Republiek der Verenigde Nederlanden meer handelsschepen dan alle andere Europese landen bij elkaar en Engeland had dan ook met afgunst gezien hoe de Nederlanden, met nog maar net een oorlog met Spanje achter zich, steeds rijker werden. Het was een merkwaardige tijd, want niet alleen de Nederlanden, ook Engeland kende een periode waarbij ze geen koning hadden. De Nederlanden hadden de Spaanse koning van zich af weten te vechten en Engeland had juist een bloedige burgeroorlog achter zich, maar er waren meer overeenkomsten tussen de landen, zoals de religie en de zeevaart. Het was voor Engeland dan ook moeilijk te verkroppen dat het kleine Holland zo welvarend werd.
Toen de spanningen tussen Holland en Engeland weer eens hoog opliepen had de Compagnie Jans hulp hard nodig en het duurde dan ook niet lang of de VOC wilde hem weer graag in dienst hebben. Zijn voorwaarde om Willem Dijckman als chirurgijn mee te nemen werd zonder problemen ingewilligd. Jan was tevreden, hij kon Willem op die manier goed in de gaten houden.
Tot zijn teleurstelling zou de aanstelling Van Riebeeck niet verder dan het zuidelijkste puntje van Afrika brengen en niet naar Indië, maar het was een eerste stap in zijn vernieuwde carrière en hij had er alle vertrouwen in dat alles goed zou komen. Dit was zijn kans om te laten zien wat hij waard was. Bovendien moesten alle schepen die naar Azië voeren langs de Kaap. Ooit zou hij dus wel weer naar Azië kunnen gaan om dan eindelijk te kunnen profiteren van zijn ontdekking.

Om zich te verzekeren van een veilige haven in het zuidelijkste puntje van Afrika werd Jan van Riebeeck er door de VOC op uitgestuurd daar een nederzetting op te richten voordat de Engelsen dat zouden doen en het was op kerstavond 1651 dat Jan met zijn gezin naar de Kaap voer.

Na een voorspoedige vaart kwam begin april 1652 de Tafelberg in zicht en nadat ze zich ervan verzekerd hadden dat er geen vijandelijke schepen in de baai lagen, ging Van Riebeeck op 7 april aan wal om er bijna direct een begin te maken met zijn nederzetting. Aan boord van de vloot van vijf schepen, de Drommedaris, de Reyger, de Walvis, de Oliphant en de Goede Hoope waren bouwmaterialen en voedsel. Voor Van Riebeeck was het slechts een tussenstop in zijn ambitieuze carrière om de hoogste post in Indië te bereiken, maar vooral in het uitwerken van zijn streven om met zijn ontdekking rijk en machtig te worden. De eenvoudige nederzetting die hij stichtte, Kasteel de Goede Hoop, was het begin van een wereldstad. Zo’n driehonderdvijftig jaar later telde Kaapstad zo’n drie miljoen inwoners.

Lees verder

Klik hier voor de volgende twee hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*