XVII – 7

XVII – 7

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het zevende deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Hoorn, mei 2012

Toen inspecteur Teun Visser ‘s morgens vroeg op het politiebureau arriveerde was hem al snel duidelijk dat hij naar Hoorn moest. Er was ingebroken bij de dependance van het Westfries Museum en samen met zijn jongere collega Jasper Vonnen reed hij die ochtend dan ook over de A7 richting Hoorn.
Toen ze bij het plaats delict aankwamen waren hun collega’s van de technische recherche al druk bezig met sporenonderzoek. Met een ervaren blik nam Teun de locatie in zich op. De toegang was afgezet met rood-witte plastic linten die vertrouwd ritselden in de wind, collega politieagenten liepen heen en weer, een paar journalisten waren ook al gearriveerd en namen foto’s en praatten met de persvoorlichtster van het museum. Er tegenover zat het terras al aardig vol, voller dan je zou verwachten op dit vroege tijdstip van de dag.
Ramptoeristen, dacht Teun afkeurend, als ze maar op afstand blijven.
Hij liet zijn pasje zien, trok de overschoenen aan om geen sporen te vervuilen en liep naar binnen. Het was de aanwezige politie al snel duidelijk dat inspecteur Visser er was, want overal vroegen zijn collega’s zijn ervaren advies over verschillende details en gevonden sporen.
Jasper was een generatie jonger dan de ervaren Teun en was aan hem gekoppeld om de fijne kneepjes van het vak in de praktijk te leren.
‘Op het eerste gezicht een gewone inbraak in een museum’, legde Teun hem uit. ‘Het gebeurt gelukkig niet vaak, maar ze lijken allemaal op elkaar. Een ruit wordt ingetikt of ze sluipen naar binnen, slaan snel hun slag door iets specifieks mee te nemen en gaan er onmiddellijk vandoor. Meestal zijn het inbraken op bestelling, want een gestolen kunstwerk kan je bijna nergens kwijt, zelfs in het zwarte circuit wil niemand zijn vingers branden aan gestolen kunst.’
Jasper luisterde aandachtig toe en pakte een notitieblokje.
‘Toch is deze inbraak anders’, zei Teun peinzend. ‘Deze lijkt niet op een museumkraak, maar op een gewone woninginbraak, alsof ze iets zochten maar niet wisten waar het lag. Kijk maar, ze zijn overal geweest en bovendien hadden ze haast. Zo breek je niet bij een museum in. Bovendien is dit geen museum, maar een soort onderzoeksafdeling of zo. Het lijkt dus een spoedklus te zijn geweest en slecht voorbereid ook, maar vergis je niet, het moeten professionals zijn geweest want het alarm is niet afgegaan.’
Jasper luisterde aandachtig, schreef driftig mee en maakte voor zichzelf foto’s van de schade die was aangericht. Deurkozijnen waren ruw opengebroken, lades leeggegooid, kostbaar onderzoeksmateriaal lag verspreid over de vloer, microscopen waren kapotgeslagen op de tafels en zelfs de toiletten waren grondig maar haastig doorzocht getuige de opengerukte spoelbakken. Zelfs enkele plafondplaten waren losgehaald, het had inderdaad niets weg van een museumkraak.
Een politieagent liep naar inspecteur Visser en buiten adem van opwinding hield hij hem tegen.
‘Inspecteur’, hijgde hij, ‘kom mee, dit moet u zien.’

Matthijs en Esther zaten nog op het terras en keken naar de politieagenten die nog steeds druk in de weer waren. Met koffertjes en fototoestellen bij zich liepen ze als wriemelende mieren heen en weer tussen hun voertuigen en de dependance. Twee agenten in burger kwamen naar buiten, een oudere man en een jongere collega. Uit alles in hun houding bleek dat ze politie waren.
De oudere agent had bruin, licht grijzend haar en droeg een donker pak met felblauwe stropdas die er net niet bijpaste. Zijn bril was van een wat ouderwets zwaar montuur en hij had een stevig postuur waardoor zijn pak te strak zat en ook zijn nek zat net te strak in zijn kraag waardoor hij een wat opgezwollen indruk maakte, alsof hij niet voldoende lucht kreeg. Zijn jonge collega had een kaalgeschoren hoofd en een sikje en droeg een spijkerbroek en lichtblauwe sweater met capuchon. Om zijn nek hing een compact camera en zijn aantekenboekje leek wel vergroeid met zijn hand.
Esther wees Matthijs op de agent. ‘Vroeger was dat de kleding van de gangs in Amerika en nu is het dure merkkleding waar de politie mee loopt.’
Matthijs keek naar de twee agenten en zag ze praten met de persvoorlichtster die vervolgens recht naar Esther en Matthijs keek en in hun richting wees. De agenten bedankten en bukten zich om onder het afzettingslint te kruipen waarna ze recht op Esther en Matthijs afliepen. Esthers hart begon sneller te kloppen en ze stootte Matthijs aan.
‘Heb je dat gezien?’
‘Nee.’ Matthijs had niets in de gaten.
‘Dit klopt niet, ze moeten vast ons hebben. We moeten hier weg.’
Ze pakte Matthijs bij de arm en trok hem mee. De agenten begonnen iets sneller te lopen.
‘We moeten nog betalen’, protesteerde Matthijs en pakte zijn portemonnee.
‘Kom op’, siste Esther tussen haar tanden en griste een biljet van vijftig euro uit zijn portemonnee en gooide dat op het tafeltje. ‘Wegwezen!’
Ze trok Matthijs mee, weg van de politie. Matthijs begreep niet helemaal wat er aan de hand was en keek om en zag de jongere agent nu in hun richting rennen.
‘Stop’, zei Matthijs tegen Esther. ‘Misschien hebben ze alleen maar een vraag. We hebben toch niets te verbergen? Laten we met ze praten.’
‘Geloof je dat nou echt?’
‘Halt!’ klonk het achter hen. In een reflex minderde Matthijs vaart want hoewel hij zichzelf niet een overdreven gezagsgetrouw iemand vond, zou het nooit in hem opkomen om in eerste instantie niet te luisteren naar een oproep van een politieagent. Esther dacht daar totaal anders over en trok hem ruw aan zijn arm en spoorde hem aan door te rennen.
‘We moeten hier zo snel mogelijk weg’, zei ze en ze en dacht met spijt aan haar beslissing om niet op te vallen in haar zakelijke kostuum. Hoewel de hakken niet extreem hoog waren was het wegrennen beslist geen pretje, maar ze had het voordeel de weg in Hoorn te kennen en terwijl Matthijs met haar mee rende sloegen ze een steeg in en na een paar keer een zijweg te hebben genomen had Esther er vertrouwen in de politie van zich te hebben afgeschud.

Ze wandelden zigzaggend door de steegjes tot aan de Grashaven waar ze achter de dijk gingen zitten, veilig uit het zicht van nieuwsgierige ogen. Voor hen dobberden vele tientallen witte zeilbootjes in het water, de masten en tuigage vormden een chaotisch bewegend woud.
‘Ok’, zei Matthijs die zijn verontwaardiging maar met moeite kon onderdrukken, ‘kan jij me uitleggen waar dit allemaal voor nodig was? Ik ben weggelopen voor de politie, nu zitten ze achter me aan’, verweet hij haar.
Esther was nog moe van het rennen op haar moeilijke schoenen en gaf niet direct antwoord maar nam de schade aan haar voeten op. Gelukkig viel het mee.
‘Jij doet misschien aan een vechtsport, ik doe aan hardlopen’, zei Matthijs met een grijns van oor tot oor. Esther keek hem aan en stelde vast dat hij inderdaad de lichaamsbouw van een langeafstandsloper had.
‘Ik denk dat we naar mijn huis moeten gaan’, zei Esther terwijl ze over haar voet wreef. ‘Het zal even duren voor ze mij op het spoor zijn, maar ze zullen nu wel direct naar jouw huis gaan.’
‘Dat is dan mooi, dan kunnen we ze daar alles uitleggen.’
‘Zie je het dan niet? Het gaat allemaal om dat document. Geen idee hoe ze zo snel weten dat jij het hebt, maar denk eens na: een inbraak bij mij, bij jou en op je werk. Allemaal de dag nadat ik je dat document heb laten zien. Dat kan toch geen toeval zijn meneertje wetenschapper.’
Terwijl ze dit zei tikte ze met haar wijsvinger vriendelijk maar dringend tegen zijn hoofd.
De boodschap leek een beetje door te dringen maar Matthijs was nog niet helemaal overtuigd. Hij staarde peinzend over het water en keek naar de bootjes in de haven. De golfjes flikkerden fel in de zon en een reiger liep statig over een zeilboot en staarde met strakke ogen in het water.
‘Ik weet zeker dat het om dit document gaat, want je moest eens weten welke verhalen ik erover heb gehoord. Het rust als een vloek op mijn familie.’
‘Ik geloof niet in vervloekingen.’
‘Ah, de wetenschapper spreekt weer. Vloek of niet, ik ben van plan er een einde aan te maken. Daarom ben ik naar jou gegaan.’
Matthijs keek naar Esther en verkeerde in tweestrijd. Zijn geweten zei hem naar de politie te gaan en alles uit te leggen. Het was een misverstand en hij had niets te verbergen, maar aan de andere kant wilde hij ook heel graag Esther beter leren kennen. Ze hadden al wat meegemaakt vandaag, ze was aantrekkelijk en zij nodigde hem zelfs uit bij haar thuis. Het was dan wel om de politie te ontlopen, maar toch.
‘Zullen we gaan?’ vroeg Esther en ze stond al op en stak haar slanke hand uitnodigend uit naar Matthijs om hem van de trappen op de dijk te helpen opstaan.

Esthers woning was een klein flatje recht tegenover station Hoorn Kersenboogerd. Het keukenraam dat op een kiertje open stond liet het geluid van langsrijdende treinen zacht door naar binnen. Aan de muur hing een grote afbeelding van een Japanse Boeddha en in een hoek van de kamer stond een Boeddhabeeld met uitgebrande wierookstokjes ervoor. De zachte geur ervan hing nog in het huis. De bescheiden boekenkast was gevuld met kookboeken, boeken over vechtsporten en meditatie en op de grond lagen een paar cd’s met natuurgeluiden, Brian Eno’s ‘Ambient 1: Music For Airports’, ‘The Heart of Reiki’ en heel veel andere muziek die Matthijs niet kon plaatsen.
Hij ging wat ongemakkelijk op de smetteloos witte bank zitten terwijl Esther theewater opzette. Hij bekeek de papieren die Esther op de glazen salontafel voor hem uitgespreid had. Het waren oude documenten. De ene was het document van Van Riebeeck dat ze aan hem had laten zien, het andere, met ook de ondertekening van Van Riebeeck, was een vreemde verzameling lijntjes en halve woorden. Op het eerste gezicht leek het een kaart, maar daarvoor was het te fragmentarisch.
‘Dus jij hebt ook geen idee?’ vroeg Esther en wilde de theeglazen neerzetten.
‘Nee, niet bij die papieren’, zei Matthijs geschrokken, bang dat de thee over de papieren zou knoeien.
Esther zette de glazen op de vloer en zonder dat hij erom gevraagd had kreeg hij groene thee, iets wat hij nog nooit gedronken had en hij keek dan ook een beetje wantrouwend naar de dampende drank.
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je ook nooit thee drinkt?’ vroeg Esther vol ongeloof.
‘Eeh, bijna nooit en deze ken ik niet.’
Hij klonk wat onzeker en dat merkte hij zelf ook. Hij voegde er dan ook snel op een vrolijke toon aan toe: ‘maar ik ga het wel proberen.’
Matthijs wilde zich over de papieren buigen toen zijn telefoon ging. Een ogenblik keken beiden elkaar aan. Matthijs keek naar het scherm en zag een onbekend nummer.
‘Ik weet niet wie dit is, politie misschien?’
‘Geen idee, maar wees in ieder geval voorzichtig. Zeg niet waar je bent en zeg ook niets over mij of het document.’
Matthijs zette de telefoon op handsfree en nam hem op en een onbekende en haastige stem vroeg op gedempte toon of dit inderdaad de Matthijs Brink was die voor het Westfries Museum werkt.
‘Dat klopt.’
‘We hebben professor Van Gorssel. We weten dat u het Van Riebeeck document heeft. Neem in geen geval contact op met de politie. Later vandaag nemen we weer contact met u op en geven u instructies hoe u de professor vrij kunt krijgen. Onthoud: geen politie.’
De verbinding werd verbroken.
‘Ze hebben de prof.’, zei Matthijs verbijsterd.
‘Ze zijn wanhopig’, zei Esther. ‘Waarom zouden ze anders nu zo’n groot risico durven lopen?’
‘Ik begrijp het niet.’
‘Een ontvoering loopt altijd in de gaten. Dat kunnen ze nooit helemaal stil houden, het is dus een breuk met het verleden.’
‘Hoe bedoel je?’
‘De XVII hebben altijd in het geheim gewerkt. Het is een organisatie die invloedrijk is, maar bijna niemand kent ze.’
‘Ik ook niet, tot vandaag.’
‘Neem van mij aan dat ze bestaan en ze vallen al heel lang mijn familie lastig om deze papieren. Nu is het echter voorbij. Ik zal ze ontmaskeren en ze zullen boeten voor wat mijn familie is aangedaan.’
‘Eeh, ze hebben wel mijn professor. Moeten we echt niet de politie bellen?’
Esther was echter resoluut en zette Matthijs aan het werk om de documenten te ontcijferen. Terwijl hij zich hierin verloor maakte Esther snel een gezonde lunch klaar.
Een beetje wantrouwend nam Matthijs een slok van de groene thee en merkte aan de wrange smaak dat er geen suiker in zat. Esther zag zijn gezicht vertrekken.
‘Je mist zeker de suiker?’
Matthijs knikte hoopvol.
‘Het went wel hoor’, zei Esther bemoedigend en tot zijn spijt kreeg Matthijs geen suiker.

Ze aten beiden zwijgend de boterhammen op toen Matthijs’ telefoon weer ging.
‘Neem op station Hoorn de eerstvolgende trein na drie uur die naar Amsterdam gaat. Onderweg krijg je verdere instructies. Nogmaals: geen politie en vergeet je paspoort niet.’
Matthijs keek op zijn horloge en schatte in hoe lang het zou duren voor hij op het station zou zijn.
‘Station Kersenboogerd is hier tegenover, dus we zijn heus wel op tijd’, zei Esther terwijl ze de papieren en haar laptop aan het inpakken was.
‘Wat ga jij doen?’ vroeg Matthijs, hij had een bang voorgevoel dat bleek te kloppen.
‘Ik ga natuurlijk mee, wat dacht je dan? Dat ik jou alleen gevaar laat lopen? Je hebt gezien waar ze toe in staat zijn en ik ken ze beter dan jij dus is het beter dat ik meega. Dat verwachten ze ook niet, dus hebben we een kleine voorsprong. Bovendien is dit ook mijn strijd.’
Ze zei dit op zo’n manier dat Matthijs het niet eens overwoog er iets tegenin te brengen.

In de trein naar Amsterdam zat Matthijs gespannen voor zich uit te kijken. In zijn jaszak had hij zijn telefoon en zijn paspoort. Aan de andere kant van het gangpad zat Esther schuin tegenover hem. Ze zat zogenaamd verdiept in een tijdschrift, maar ze zaten zo dat ze elkaar goed konden zien zonder dat iemand anders in de gaten kon hebben dat ze bij elkaar hoorden.
Esther had zich snel voorbereid. Ze had zich omgekleed en droeg nu een shirt met een dunne sportieve jas met capuchon. Daaronder had ze een strakke spijkerbroek en sportschoenen. Ze had een kleine sporttas ingepakt met de meest noodzakelijke spulletjes want ze vreesde dat ze thuis niet meer veilig zou zijn. Voor Matthijs zat er niets anders op dan straks ergens op het station van Amsterdam wat te kopen want hij kon niet meer naar zijn huis. Esther had hem er van overtuigd dat de politie hem daar zou opwachten. Matthijs hoopte dat het allemaal mee zou vallen en dat hij vanavond weer gewoon thuis zou zijn, in zijn eigen bed zou slapen en morgen wakker zou worden in de wetenschap dat dit allemaal maar een nare droom was.
Aan de treinreis leek geen einde te komen. De eindeloze polders zonder koeien en met de lange smalle slootjes die doorliepen tot de horizon schoten voorbij zonder dat er iets gebeurde.
Misschien heb ik het verkeerd begrepen, dacht Matthijs en hij begon zich meer en meer ongerust te maken. Hij probeerde zich het telefoontje te herinneren, maar hij had gedaan wat hem was opgedragen. Ze waren nu al bijna in Amsterdam en de telefoon was nog niet gegaan. Zou de batterij wel vol zijn of had hij in de Hemtunnel geen bereik gehad? Hij haalde voor de zoveelste keer zijn telefoon tevoorschijn om een blik op het scherm te werpen, maar de batterij was vol en hij had geen berichten gemist.
Bezorgd keek hij naar de bedrijfspanden waar ze nu langs reden en hij keek kort naar Esther, maar kreeg van haar weinig steun want ze liet niets merken.
De trein minderde al vaart voor station Amsterdam-Sloterdijk en er was nog niets gebeurd. Nerveus keek hij naar buiten en zag dat ze het station al binnenreden. Het perron stond vol met forenzen die gereedstonden om de trein te bestormen en in de trein pakten mensen hun spullen bijeen en liepen naar de uitgang.
Op dat moment liep iemand langs die een envelop op Matthijs’ schoot liet vallen en voor hij in de gaten had wat er gebeurde, was de man al verdwenen. De trein stond stil en bij de deuren ontstond de gebruikelijke chaos van passagiers die in- en uitstapten. Daar loopt hij natuurlijk ook tussen, dacht Matthijs en hij bekeek de envelop.
Het was een doodgewone bruine envelop die met breed plakband dichtgeplakt zat. Met trillende vingers scheurde hij hem open en hij geloofde zijn ogen niet toen hij de inhoud zag.

Hoorn, 7 juni 1939

Het was groot feest in huize Broding. Geertruida had haar eerste kindje gekregen. Geertruida en Dirk waren apetrots en noemden de baby Bert, roepnaam Bertje. Net als zijn oom, de broer van de jonge vader Dirk, was hij genoemd naar zijn oude opa Bertus Broding.
Opa Bertus was maar wat vereerd dat een derde generatie Broding zijn naam ging dragen en als eregast zat hij dan ook glunderend van trots in zijn beste pak in de kleine woonkamer. Het jonge gezin woonde in de Grote Waal in een eenvoudig maar nieuw arbeidershuisje aan de rand van Hoorn.
Het grote bakelieten radiotoestel stond aan en een krakerige stem vertelde over spanningen tussen Duitsland en Tsjechië.
‘Gisteravond zijn in den Nationalen Schouwburg van Praag patriottistische betoogingen gehouden tijdens de uitvoering van de symfonie van Smetana ‘Mijn Vaderland’. Na de uitvoering hief het publiek spontaan het Tsjechische volkslied aan.’
‘Zeg Dirk’, zei opa Broding knorrig, ‘je hebt toch een grammofoonspeler? Zet eens zo’n muziekje van jou op, desnoods die jazz of wat anders, want van die radio word ik alleen maar somber. Dan ga je je afvragen in wat voor wereld onze kleine Bertje terecht is gekomen.’
‘Het zal zo’n vaart niet lopen vader, maar muziek is inderdaad leuker. Het is tenslotte een feestdag.’
Dirk zette het toestel met een luide klik uit, het licht dat van ver uit het binnenste van de radio had geschenen doofde zacht terwijl hij een geschikte 78-toeren plaat met feestelijke muziek uitzocht. Uit zijn bescheiden verzameling bakelieten grammofoonplaten haalde hij enkele exemplaren van Het A.V.R.O. Dansorkest, Bob Scholte en Louis Davids. Daarna werden de glazen tot de rand toe vol met jenever geschonken en werd het reuze gezellig. Het enige dat de vreugde voor opa Broding temperde was de aanwezigheid van zijn zoon Bertus, de jongere broer van Dirk.

Net als iedereen in hun omgeving was de familie Broding protestants en hoewel ze niet streng in de leer waren was het sinds een jaar ruzie in huize Broding om de vriendin van Bert want Maria was Katholiek. Er was regelmatig fikse onenigheid tussen de opstandige Bertus en zijn ouders, maar dat maakte hem alleen maar vastberadener en nu had hij niet alleen Maria ongevraagd uitgenodigd, maar tot grote ergernis van opa Broding ook Maria’s broertjes.
Door zijn vriendin was de relatie tussen vader Bertus en zoon Bertus sinds een jaar niet meer echt goed en opa Broding zat zich dan ook zichtbaar te ergeren. Niet alleen aan zijn zoon, maar ook aan het gedrag van Maria’s broertjes Jantje en Thomas die in zijn ogen onopgevoed waren.
Hij deed weinig moeite zijn ongenoegen te laten blijken en een onderlinge ruzie tussen de twee kinderen werd door hem resoluut beëindigd door ze allebei een ferme draai om de oren te geven. Maria en oma Broding hadden onthutst toegekeken, maar om de sfeer te redden zeiden ze er beiden niets van en opa liet zich met een tevreden glimlach op zijn gezicht in zijn stoel zakken en sloeg zijn borrel in een keer achterover.
De pasgeboren Bertje lag intussen ingebakerd heerlijk te slapen in zijn eenvoudige wiegje terwijl de familie om hem heen zijn geboorte vierde. Jantje en Thomas hadden hun ruzie bijgelegd en speelden met een opwindbare blikken brandweerauto, de vrouwen kletsten in de keuken en de mannen praatten onder het genot van nog een glaasje over politiek en voetbal en om de feeststemming te verhogen stak opa Broding een bolknak op zodat de kamer al snel blauw zag van de rook.

Het liep al tegen de avond toen Bert, Maria en haar twee broertjes naar huis fietste, want de kinderen begonnen jengelig te worden en moesten op tijd naar bed.
Opa Broding liet voor een laatste keer zijn ongenoegen blijken en riep Bertus streng na: ‘En ik spreek jou straks thuis!’
Oma Broding zat met Geertruida en Bertje in de slaapkamer zodat Dirk alleen met zijn vader in de woonkamer was overgebleven.
‘Moeders maakt straks wel wat eten voor jullie’, zei de oude Bertus ongevraagd tegen Dirk en Geertruida.
Dirk leidde er uit af dat ze nog wel even zouden blijven en schikte zich er maar in, het was tenslotte een feestelijke dag.
‘Nog een borrel?’ vroeg hij aan zijn vader.
‘Graag.’
Terwijl Dirk het glaasje weer tot de rand volschonk pakte de oude Bertus een in kranten gewikkeld pakketje. Dirk had het al naast de stoel zien liggen. Zijn vader had het meegenomen, maar zolang zijn jongste zoon Bertus er ook was had hij het zonder uitleg naast zich neergelegd. Nu de anderen weg waren was het blijkbaar tijd om het te openen en Dirk keek nieuwsgierig naar wat het zou zijn.
Toen het krantenpapier er af was gewikkeld bleek het de eeuwenoude bijbel te zijn die de opa en oma van de oude Bertus ooit aan hun had gegeven.
‘Dat is een oud boek vader’, zei Dirk in een poging een gesprek met zijn zwijgzame vader te beginnen.
Bertus bromde wat en opende zijn Bijbel.
‘U wilt een gebed uitspreken voor uw kleinzoon?’
‘Een gebed zou mooi zijn, maar daarvoor heb ik het niet meegenomen’, mompelde Bertus en met zijn grove eeltige handen sloeg hij het boek open en bladerde een paar bladzijden tot hij bij een tweetal oude papieren kwam die er los in lagen.

‘Toen ik achttien werd, in 1895, heb ik deze Bijbel van mijn vader gekregen. Niet omdat het een Bijbel is, maar hij vond het een passende verstopplek voor deze papieren. De Heilige Schrift is destijds bij het verstoppen niet ontzien’, bromde hij. ‘Ik houd de Bijbel zelf, dus ik geef jou deze papieren maar zo en je moet zelf maar zien waar je ze verstopt. Ze zijn al generaties lang in de familie en ik denk dat ze bij jou in betere handen zijn dan bij die rare broer van je.’
Hij gaf de papieren aan Dirk die ze verward aanpakte.
‘Het zijn documenten van Jan van Riebeeck. Het is de last, maar ook de eervolle plicht van onze familie om ze goed te beschermen. Deze vervloekte papieren mogen niet in verkeerde handen vallen. Beloof je ze goed te beschermen, desnoods met je leven?’
Hoewel hij geen idee had waar zijn vader het over had knikte Dirk gehoorzaam.
‘Ze moeten beschermd worden alsof het je baby Bertje is.’
Hij slurpte zijn glaasje leeg en begon te vertellen over de documenten en de zware familiegeschiedenis. Hij vertelde hoe zijn vader, Arent Broding, ze had gekregen van zijn opa en het gesprek dat hij als zestienjarige had afgeluisterd.

Op aanwijzingen van Bertus vonden Dirk en Geertruida later die avond een geschikte verstopplek in de wieg van Bertje.

Lees verder

Klik hier voor de volgende twee hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*