XVII – 6

XVII – 6

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het zesde deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Java, 20 augustus 1947

Bert Broding liep samen met de andere militairen op patrouille langs de rand van de jungle waar de sawa’s (rijstvelden) begonnen. De groep was op hun hoede want hun missie was streng geheim en bovendien een grove schending van het bestand want de eerste politionele acties waren juist afgerond.
Meer dan honderdduizend Nederlandse militairen, waarvan velen dienstplichtig, bevonden zich in Indonesië dat vocht voor haar onafhankelijkheid. De Nederlanders vochten wanhopig tegen het heftige verzet van de Indonesiërs en klampten zich vast aan oude koloniale ideeën, maar voor de Indonesiërs waren deze met de Japanse bezetting verloren gegaan.
De eerste politionele acties duurden van 21 juli tot 5 augustus 1947 en waren bedoeld om de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië te breken maar het eindigde voor Nederland in een smadelijke nederlaag in de Veiligheidsraad. Deze politionele acties waren niets anders dan een militair offensief, maar op advies van de oud-minister van buitenlandse zaken Van Kleffens werd er in Nederland met geen woord gerept over oorlog of een militaire actie omdat men vreesde dat de negatieve lading daarvan de steun onder de Nederlandse bevolking zou verminderen.
De Nederlanders hadden zich niet alleen vergist in de internationale kritiek, ook had men onderschat hoezeer de lokale bevolking de Nederlanders haatten. De meeste soldaten, van dienstplichtigen tot vrijwilligers, verwachtten een spannend avontuur maar belandden in een bloedige guerrilla-oorlog.
Zo ook dienstplichtig soldaat Bertus Broding. Hij was met zijn eenheid gedropt in een afgelegen gebied, een paar honderd kilometer van Yogyakarta. Gespannen liepen ze achter elkaar door de modder tot ze bij een brede rivier kwamen. Bert keek op de kaart en gebaarde dat ze de rivier moesten oversteken. Aan de overkant waren geen sawa’s meer, maar begon een helling met daarop een dichte jungle.
Achter elkaar waadden ze behoedzaam door de rivier. Hoog in de bomen krijsten apen. Bert keek bezorgd naar de dieren, want hun roep zou de lokale bevolking wel eens kunnen alarmeren, maar gelukkig was er niemand in de buurt die de dieren hoorde en bleven ze onopgemerkt. Eenmaal aan de overkant veegde hij vuil zweet van zijn voorhoofd en verfriste zich met water uit de rivier. Hij plukte een bloedzuiger die zich direct op zijn arm had vastgebeten los en wachtte tot de overlevenden van zijn peloton er waren, waarna ze allemaal hun veldflessen met het koele water uit de rivier vulden en ze vervolgens zwijgend bergopwaarts het oerwoud in liepen.
Terwijl hij de muskieten die om hem heen zwermden wegjoeg dacht Bert terug aan de ochtend, twee dagen geleden dat hij zich bij zijn meerdere moest melden en de opdracht kreeg voor deze missie.

Zijn commandant was er een van de oude stempel, met een grote snor, rechte kaaklijn en strakke staalblauwe ogen die afstaken bij zijn gebruinde huid. Hij had al jaren gediend en hoewel hij inmiddels grijs was, oogde hij nog fit en gespierd.
‘Soldaat Broding, plaats rust’, commandeerde de officier die ochtend. ‘Ik heb een eervolle missie en omdat u als beste kunt oriënteren bent u geselecteerd om met een klein peloton mariniers deze opdracht te volbrengen. Ik maak u erop attent dat deze missie strikt geheim is. U mag er met niemand over spreken en het zal u mogelijk op gevaarlijk terrein brengen. Uw deelname aan deze belangrijke opdracht is echter essentieel en ik twijfel dan ook niet dat u zich vrijwillig aanmeldt.’
‘Uiteraard commandant.’
‘Mooi, ik had niet anders verwacht, gezien je staat van dienst. Je wordt vanavond, een uur voor zonsondergang opgehaald. Het doel van de missie zal u later verteld worden. Vragen?’
‘Nee commandant.’
‘Dan wens ik u succes, Nederland is u dank verschuldigd. Ingerukt.’
Weer buiten kon Bertus zich voor zijn hoofd slaan. Wat ben ik een stomkop, dacht hij. Gezien uw staat van dienst zei hij. Ik heb helemaal geen staat van dienst. Het klopt dat ik de beste ben in oriënteren en als ik een kaart heb gezien, dan heb ik deze direct in mijn hoofd geprent, maar waarom ik? Uw deelname is essentieel en hij twijfelde niet dat ik me zou aanmelden, galmde de stem van de commandant door zijn hoofd. Wat ben ik dom om geen nee te kunnen zeggen. Maar ja, orders zijn orders en onze commandant is er niet een waar je tegenin gaat.
Hij sloeg zijn hoofd achterover en schold zichzelf tientallen keren uit om in te stemmen met deze missie, maar er was nu eenmaal geen weg meer terug en er zat niets anders op dan af te wachten tot hij opgehaald zou worden.

Het was een kleine eenheid van zeven man. Bert kende ze niet en behalve Bert Broding was alleen Sjoerd Panninga de enige dienstplichtige soldaat. Sjoerd had de bijnaam Karbau. De Indische naam voor buffel had hij gekregen omdat hij enorm gespierd was en een reusachtig uithoudingsvermogen bezat. Bert had zo zijn twijfels over de geestelijke capaciteiten van Karbau, want het duurde soms lang voor hij iets begreep en hij vroeg zich af of ook dat bijgedragen had aan zijn bijnaam. Het was hem dan ook niet duidelijk waarom Sjoerd mee moest op deze geheime opdracht.
De aanvoerder van het peloton was de dertigjarige marinier Daan Vorster. Het was een verstandige en rustige man, bijna een intellectueel en het verbaasde Bert dat hij militair was. Hij leek meer geschikt als arts vond Bert, maar hij was overduidelijk de leider en met zijn grote kennis van Indië en de vrijheidsstrijd dwong hij bij iedereen respect af. Net als de anderen zei hij niet veel, maar als hij met zijn Zeeuwse accent vertelde over zijn ervaringen met de strijd in Nederlands-Indië leek hij wel een soort begrip voor de Indiërs te hebben, iets wat Bert nog niet eerder had gehoord sinds zijn aankomst per stoomschip. In zijn rugzak had Daan een stukgelezen exemplaar van ‘Max Havelaar’ waarin hij elk moment dat het kon las.

De eerste dag van hun missie verliep vlekkeloos tot aan de avond. Ze hadden de hele dag ongezien door de jungle en langs sawa’s kunnen lopen tot ze vlak voor zonsondergang uit het oerwoud slopen en totaal onverwacht op een klein weggetje uitkwamen dat niet op de kaart had gestaan en ze recht op een vijftal Indiërs afliepen. Het waren drie vrouwen, een man en een kind van ongeveer vier jaar. Zodra ze de Nederlandse soldaten zagen stopten ze direct.
‘Belanda!’ gilde een van de vrouwen. Haar ogen waren wijd opengesperd van angst.
Voor Bert in de gaten had wat er gebeurde werd hij door een van de mariniers naar de grond geduwd en begonnen de mannen om hem heen te schieten.
Het geschreeuw van Bert was niet te horen door de salvo’s van de wapens en tot zijn afgrijzen zag hij hoe de vijf weerloze mensen werden gedood. Toen de wapens zwegen floten Berts oren nog geruime tijd na.
Door de pieptoon heen hoorde hij een van de soldaten tegen hem zeggen: ‘Trek het je niet aan, het waren maar pemoeda’s.’
Terwijl Bert snakkend naar lucht op de grond zat en probeerde te begrijpen wat er gebeurd was liepen de mannen naar de levenloze lichamen die op het paadje verspreid lagen. Bert wist maar al te goed wat pemoeda’s waren, de jonge strijders die voor onafhankelijkheid streden, maar waren deze mensen ook strijders?
Daan gaf het bevel aan vier mariniers om te kijken of er nog andere mensen in de buurt waren en het was aan Sjoerd om de lichamen in een langsstromende rivier te leggen zodat ze met de stroom weggevoerd zouden worden. Hij maakte daarbij zijn bijnaam waar, want sterk als een karbau had hij daar weinig moeite mee.
‘Gaat het?’
Bert keek op. Het was Daan die naast hem stond en hem bezorgd aankeek.
Bertus rechtte zijn rug, stond op en knikte, maar alles aan zijn houding maakte duidelijk dat het niet goed ging. Het gefluit in zijn oren was bijna weg, maar in zijn hoofd tolde het des te meer terwijl de gebeurtenis van zojuist weer in zijn gedachten afspeelde.
‘Zeker je eerste actie’, zei Daan begripvol. ‘Het went wel. Hier, daar knap je van op.’ Daan gaf hem een sigaret die Bert dankbaar aannam. Toen hij de sigaret aanstak merkte hij pas hoe erg zijn handen trilden. Met diepe teugen ademde hij de scherpe rook in en met betraande ogen keek hij naar Daan die glimlachte.
‘Ik heb alleen maar kretek bij me’, verontschuldigde hij zich voor de Indische sigaret met kruidnagel.
Nogmaals dacht Bertus aan de moordpartij van zojuist.
‘Waarom?’ was het eerste dat hij vroeg toen hij weer een beetje tot zichzelf was gekomen.
‘Het waren vrijheidsstrijders’, zei Daan. ‘Dat was toch overduidelijk?’
Bert schudde zijn hoofd. Het was hem niet duidelijk.
‘Als wij het niet doen doet een ander het wel’, legde Daan uit. ‘Dan is het beter dat wij het doen, snel en pijnloos. Wen er maar aan, als je hier langer blijft’, was het advies van Daan en hij klopte Bert bemoedigend op de schouder.

‘s Nachts kon Bert nauwelijks slapen. De beelden van de stervende mensen spookten maar door zijn hoofd. De hele nacht zag hij de gezichten van de vijf personen voor zich, vertekend van de pijn en doodsangst. Het beeld was op zijn netvlies gebrand en zou nooit meer weggaan. Hij woelde rond en keek door zijn oogharen naar de anderen die blijkbaar geen enkel last van hun geweten hadden want ze lagen rustig te slapen. Behalve Daan.
Daan leek weinig slaap nodig te hebben. De hele nacht bleef hij onverstoorbaar op wacht staan. Ze bevonden zich ergens in de rimboe, vlak bij een rivier. Alleen Bert wist precies waar ze waren. Zijn uitzonderlijke geheugen voor kaarten was dan ook de reden dat hij mee moest met deze groep. Het doel van de missie was hem echter nog steeds niet duidelijk, maar na wat er de afgelopen dag gebeurd was, vreesde hij het ergste.

De volgende dag waren ze voor de zon opkwam alweer op pad. De tocht door de dampende jungle was zwaar en ze boekten weinig vooruitgang, maar tegen het heetst van de dag bereikten ze de rand van de begroeiing en kwamen ze aan bij enkele sawa’s die Bert in zijn hoofd geprent had. Ze liepen dus nog goed, wist hij.
Ze hadden ongeveer een uur langs de sawa’s geslopen toen ze in de verte een desa, een dorpje, zagen. Daan gebaarde de eenheid te stoppen en ze verborgen zich achter een paar struiken. Een verkenner werd er op uitgestuurd om te kijken of er geen mensen in de buurt waren. Mart, een van de mariniers, sloop door felgroene rijstplantjes in de richting van de desa. Hij kon zich goed camoufleren en hij was dan ook al snel opgegaan in het landschap.
De anderen bleven geduldig wachten op zijn terugkomst. Sjoerd had zijn bepakking afgedaan en naast zich neergelegd en lag nu op zijn rug dromerig naar de lucht te kijken. Bert pijnigde zijn ogen en staarde naar de desa in de verte. Het dorpje was omringd door bananenbomen en lag in de schaduw van een paar hoge palmen waarvan de bladeren zacht waaiden in de wind. Er blafte een hond, maar verder was het stil.
‘Dit klopt niet’, fluisterde Daan.
Berts hart ging sneller kloppen, want de toon waarop Daan dit zei was dreigend, ook de anderen veerden overeind.
‘Het is te rustig daar, we moeten…’
Op dat moment klonken er vanuit de desa schoten. Er werd niet op de groep van Bert geschoten, maar op een punt in de sawa’s, rechts van het dorp.
‘Mart is ontdekt’, zei Daan onbewogen. ‘Niemand doet iets totdat ik het zeg.’
Hij keek streng naar Sjoerd die zijn geweer al in de aanslag had.
Er werd nu teruggeschoten door Mart. Hierdoor werd zijn positie in de sawa maar al te duidelijk voor de aanvallers en hij werd nu van meerdere kanten beschoten. Er vloog iets door de lucht, Bert vermoedde dat Mart een handgranaat gooide en even later was er een ontploffing bij een van de hutjes en vrouwen begonnen te gillen. Het schieten vanuit de desa ging door, maar Mart schoot niet meer terug.
‘Hij is gewond of erger’, zei Daan kil. ‘We blijven hier nog een kwartier wachten tot hij terugkomt – of hij terugkomt – en dan gaan we weer verder.’
Zo lang hoefden ze niet te wachten want vanuit de desa renden enkele magere mannen opgewonden naar de plek van waaruit Mart had geschoten. Even later liepen ze nog opgewondener terug naar het dorp, ze droegen Mart tussen hen in. Zijn lichaam hing er slap bij.
‘Kom we gaan’, zei Daan.
‘Moeten we hem niet helpen?’ vroeg Bert onthutst.
‘Daar hebben we geen tijd voor. Mart kende de risico’s.’
Bert werd onrustig en zijn hart klopte sneller dan tevoren. Hij kende de risico’s, dacht hij, maar ik niet. Wat als ik word beschoten?
‘Kom op soldaat, voordat ze ons vinden’, beval Daan.
Meer aansporing had hij niet nodig en Bert sloop achter de anderen aan, terug de jungle in.

Bedrukt liepen ze de rest van de middag verder door de jungle en langs sawa’s. Bert was nog steeds geschokt door alles wat hij had meegemaakt en bleef op zijn hoede, de hele tijd speurde hij de omgeving af naar mensen tot hij er hoofdpijn van kreeg, maar het noodlot kwam die middag niet van de lokale bevolking.
De bodem van het tropische woud was bedekt met bladeren waardoor de goed gecamoufleerde slang bijna niet te zien was. De scherpe ogen van Sjoerd hadden het dier echter wel gezien en hij reageerde direct en met zijn kapmes maakte hij snel en geruisloos een einde aan de mogelijke dreiging. Hij ging daarbij onvoorzichtig te werk en terwijl hij wild op de ongevaarlijke slang inhakte zag hij de tweede slang over het hoofd.
Waarschijnlijk was het een Russells adder, een van de dodelijkste slangen ter wereld die meer slachtoffers maakt dan welke andere slangensoort dan ook.
Het anderhalve meter lange dier was door zijn bruine schutkleur onzichtbaar op de bodem van de jungle en toen hij pijlsnel op Sjoerd afschoot was het al te laat. Omdat Sjoerd voorovergebogen op de andere slang inhakte kon de adder hem in zijn bovenarm bijten en voordat iemand in de gaten had wat er gebeurde had de slang al losgelaten en zigzagde het razendsnel onder de bladeren door weg. Een van de mariniers schoot nog op het dier, maar de kogels troffen slechts de bodem van het woud. Daan beval de schutter te stoppen en richtte zijn aandacht op het slachtoffer.
Sjoerd had zijn groene militaire shirt al uitgetrokken en keek met ontsteltenis naar de wond. Twee kleine gaatjes in zijn biceps gaven aan waar de slang hem gebeten had. De huid eromheen was al rood en opgezwollen. Daan kwam direct in actie en pakte het shirt en met de mouw ervan kneep hij Sjoerds arm vlak boven de wond af. Hij vreesde echter het ergste, want de beet zat dicht bij het hart waardoor het gif bijna onmiddellijk zijn werk kon doen.
Terwijl Daan de arm afknelde en een van de mariniers het gif uitzoog en op de grond spuugde begon Sjoerd al na een paar minuten te zweten en terwijl hij bleek wegtrok moest hij hevig overgeven en begon hij te rollen met zijn ogen. Daan riep wanhopig om tegengif, maar dat zat niet bij de medicijnen die ze bij zich hadden.
Sjoerds arm zwol meer en meer op en regelmatig verloor hij voor korte momenten het bewustzijn en terwijl Daan vloekend en tegen beter weten in met overslaande stem bleef roepen om tegengif zakte Sjoerd na intens lijden ijlend ineen. Bert stond hulpeloos toe te kijken hoe Sjoerd steeds zieker werd en minder dan een half uur na de beet verkrampte hij plotseling van de pijn. Het was een akelig gezicht en iedereen stond machteloos toe te kijken hoe het leven langzaam uit hem wegvloeide.
Enkele minuten later overleed dienstplichtig soldaat Sjoerd Panninga, Karbau.
Alle vijf overgebleven soldaten zaten er verslagen bij. Behalve Bert waren ze allemaal ervaren en getraind om te vechten en te doden, zonder uitzondering hadden ze tijdens hun tijd in Indië mensen gedood en al heel wat gezien en meegemaakt, maar de manier waarop Karbau was gestorven paste totaal niet in het beeld dat ze van het soldatenleven hadden en veroorzaakte dan ook grote onrust. Een van de mariniers begon op Daan te schelden en een ander foeterde op de vage missie.
‘Wat doen we hier eigenlijk?’ vroeg een marinier dreigend aan Daan, maar deze kon of wilde het niet zeggen.
‘Ik weet het ook niet mannen, daarvoor moeten jullie bij onze gast zijn’, en hij knikte naar Bertus.
De mariniers keken vol ongeloof naar Bert die op zijn beurt verbouwereerd naar Daan keek.
‘Zijn we hier voor dat groentje?’ zei een oudere marinier.
‘We zijn hier voor iets dat dit groentje weet’, verbeterde Daan.
Ze kwamen allemaal in een intimiderende kring rond Bert staan.
‘Karbau is net doodgegaan en Mart is vanmiddag gesneuveld dus ik denk dat jij wat uit te leggen hebt, groentje.’
Bert wist niet wat hij moest zeggen en stamelde slechts wat. Hij had geen idee waarom hij zo plotseling het middelpunt van de missie was geworden.
‘Rustig aan jongens’, maande Daan. ‘Ik denk dat hij het zelf ook nog niet weet, maar dat komt vanavond wel. Het is niet anders mannen, maar we moeten verder.’

Uren later stond Bert zijn veldfles te vullen bij de brede rivier waarna het vijftal stilzwijgend bergopwaarts het oerwoud inliep. Bert joeg de wolk muskieten die hem constant belaagde weg en dacht aan de ochtend dat hij bij zijn commandant geroepen werd en de opdracht kreeg voor deze missie. Meer dan hij ooit had kunnen bedenken had hij spijt dat hij toen niet de moed had om te weigeren, maar het was hem ook duidelijk dat hij niet had kunnen weigeren. Hij was een belangrijk deel van de missie, maar waarom? Wat wist hij of kon hij dat de andere ervaren mariniers niet hadden of konden? Hij pijnigde zijn hersens, maar hij kwam niet tot een bevredigend antwoord.
De zon was al onder en de smalle maansikkel gaf maar weinig licht waardoor het tempo nog trager was. Om hen heen klonken de nachtelijke geluiden van de tropen: cicaden, muggen, kikkers en onheilspellend geritsel waarvan de oorzaak niet duidelijk was. Er zitten hier slangen en tijgers en wie weet wat nog meer, dacht Bert ongerust terwijl hij de groep moeizaam naar het eindpunt van hun tocht leidde. Hij schrok op van elk ritselend blaadje tot zijn zenuwen zo gespannen waren dat hij bijna niets meer kon verdragen.
De aangegeven route die Bert in zijn hoofd had geprent stopte op de top van de berg en hij had geen idee wat hen daar te wachten zou staan.
‘Is het nog ver?’ vroeg Daan aan hem.
‘Bovenop deze berg moet het einde zijn.’
‘Weet je dat zeker?’
‘Heel zeker.’
‘Mooi’, zei Daan tevreden. ‘Hoe lang nog?’
‘Ik denk een half uur tot een uur maximaal.’
‘Prima. Wat er ook gebeurt, jij loopt naar het eindpunt en kijkt niet om. Dat is een bevel.’
Bert knikte en kreeg een angstig vermoeden. Terwijl hij zijn pas versnelde om weg te lopen voor wat hij vreesde dat er zou gaan gebeuren liep Daan langzamer en liet zich afzakken tot hij bij de drie andere mariniers kwam.
Een onheilspellende stilte viel in toen de voetstappen van de soldaten die al die tijd achter Bert aan hadden gelopen niet meer door het woud klonken. Zonder te kijken wist Bert dat ze gestopt waren en uit angst voor wat er komen zou liep hij steeds sneller omhoog tot hij wild de berg oprende. Plotseling klonk er achter hem een mitrailleursalvo dat echode door de jungle, en daarna nog een. Bert kromp ineen en rende in blinde paniek de helling op. Omkijken durfde hij niet.
Bovenaan de helling aangekomen bleef hij nat van het zweet staan uithijgen bij een paar grote stenen blokken. Hij leunde er met beide handen tegenaan, boog voorover en probeerde zichzelf langzaam te kalmeren.
Het lukte niet en hij voelde zich plotseling misselijk worden. Waar ben ik in terecht gekomen, dacht hij. Wat is er aan de hand? Zijn ogen werden vochtig van de tranen die opwelden en snakkend naar lucht zakte hij door zijn knieën die plotseling week als rubber waren geworden.
Terwijl hij op zijn hurken op de grond zat keek hij op naar de stenen waar hij voor zat en hij zag nu dat het geen losse stenen waren, maar dat hij voor een soort tempel zat. Het bouwwerk was overwoekerd door het oerwoud maar ook in het vale maanlicht was het nog duidelijk herkenbaar als tempel. Zijn angst maakte nu langzaam plaats voor verbazing.
‘Mooi he?’
Bert keek op. Het was Daan die naast hem stond. Hij had hem niet horen aankomen.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Ze wilden deserteren, alle drie’, zei Daan zonder enige emotie in zijn stem. ‘Je hebt ze eerder vandaag toch gehoord?’
Zelfs in het maanlicht zag Bert in Daans harde ogen dat hij loog maar hij durfde er niets over te zeggen – als dat al verschil zou uitmaken – en dus zweeg hij.
‘Deze tempel is onlangs bij toeval ontdekt’, legde Daan emotieloos uit. ‘Je zult wel begrijpen dat sommige hoge heren in Nederland er erg blij mee waren.’
Hoewel hij het niet begreep knikte Bert, hij durfde niet tegen te spreken.
‘Jij bent bijzonder’, ging Daan verder. ‘Jij hebt niet alleen een uitstekend geheugen voor kaarten, je hebt ook een kaart in je bezit – en dus ook in je geheugen – die we nu nodig hebben. Sommige mensen zijn er bijzonder in geïnteresseerd en ik ben ervan overtuigd dat jij hen nu verder kan helpen. Het zal de Gouverneur-Generaal erg blij maken.’
Hij zweeg en wachtte op Berts reactie.
Bertus Broding zweeg, want hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij had namelijk geen idee waar Daan het over had. Een kaart, de Gouverneur-Generaal? Het moest wel bijzonder belangrijk zijn, anders was hij nu niet hier. De dreiging van het moment voelde als een tropische storm die zich boven hem opbouwde en op het punt stond te ontladen.
‘Kom op Bert, dit is het moment, we zijn nu al hier, er is geen reden voor je om jullie familiegeheim voor je te houden.’
Berts mond viel open en hij stamelde dat hij geen idee had waar Daan het over had.
Nu begon Daan zijn geduld te verliezen.
‘Houd je niet langer van de domme soldaat Broding, de kaart van Van Riebeeck, die heb je vast heel vaak gezien. Jij móet hem uit je hoofd kennen.’
Bert had nog steeds geen idee waar het over ging en Daan drong verder aan en richtte nu de loop van zijn mitrailleur op Bertus’ borst.
‘Zeg op! Iedereen zoekt die kaart, maar ik hoef hem niet te vinden, want ik heb jou.’
Bij Bert werd nu alles duidelijk. Toen hij een kind was hadden de Duitsers bij zijn ouders een paar keer huiszoeking gedaan en nu pas begreep hij dat het waarschijnlijk om dat vervloekte oude papier te doen was. Wat was er toch met dat papier dat het zo belangrijk was?
Onder dreiging van het wapen wilde hij vertellen wat hij wist, maar juist op dat moment klonk er tussen het struikgewas plotseling geritsel van bladeren. Beide mannen keken geschrokken op, maar tot hun opluchting kwam er slechts een klein bruinig diertje nieuwsgierig aangelopen.
‘Kijk nou’, zei Daan opgetogen. ‘Een tapirjong, hoe kan dat nou, die komen hier toch niet voor?’ Met zijn wapen nog op Bert gericht deed hij vertederd een paar stappen naar het diertje en wilde het aaien maar dat had hij beter niet kunnen doen. Vanuit de struiken kwam de moeder nu aangerend om haar jong te beschermen en ze stormde recht op Daan af.
Voordat Daan het in de gaten had werd hij omvergelopen en vertrappelde de tapir hem in zijn blinde woede. Tijdens zijn val was Daan zijn geweer verloren en hij kon nu niets uitvoeren tegen het wild trappelende en fel bijtende dier.
Hoewel Daan hem net bedreigd had bedacht Bert zich geen moment en pakte zijn geweer en richtte op de tapir, maar kon niets doen. Als hij op het dier zou schieten kon hij ook Daan raken, bovendien wist Bert van zichzelf dat hij geen goede schutter was.
Daan probeerde aan de tapir te ontkomen en terwijl hij nog op zijn rug lag kroop hij weg, maar omdat hij zich bovenaan de top van de heuvel bevond eindigde zijn onbeholpen vlucht al snel in een valpartij. Hij kermde van de pijn toen hij naar beneden rolde en met zijn rug hard tegen de wortels van een woudreus kwam. Zijn rug kraakte daarbij op een akelige manier. De tapir had de uitkomst van de valpartij niet afgewacht en richtte nu haar woede op Bert die daarop zo snel hij kon wegrende.

Lees verder

Klik hier voor het volgende hoofdstuk.

Op dit artikel kan niet (meer) gereageerd worden.