XVII – 5

XVII – 5

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het vijfde deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Hoorn, 31 augustus 1974

‘Zit toch niet de hele dag voor die radio te hangen’, mopperde Geertruida.
De twaalfjarige Ansje keek gestoord op. ‘Maar dit is de laatste dag, oma’, bracht ze er tegenin. ‘Straks stoppen ze voor altijd.’
Haar oma zuchtte, schudde haar hoofd en vroeg zich af of haar dochter het goed gevonden zou hebben. Het was nu negen jaar geleden dat de levenloze lichamen van Ansjes ouders waren gevonden. Het was een ongeluk geweest, had de politie gezegd. ze waren met de fiets de dijk afgereden, zo het water in.
Geertruida had het nooit geloofd. Waarom was Ansje niet in het water gevallen en had ze rustig bloemen staan plukken en wie was die jongen op de brommer waar Ansje het toen over had?
Zij en haar man hadden de opvoeding van hun kleindochter op zich genomen. Het was zwaar geweest, maar ze waren nog steeds blij dat ze niet naar een kindertehuis hoefde te gaan. Het waren moeilijke tijden maar het ergste was nog steeds het schuldgevoel dat als een loden last op hun schouders drukte. Vele avonden hadden Geertruida en Dirk ruzie gemaakt en zichzelf en elkaar van alles verweten. Als ze hun dochter maar hadden gewaarschuwd voor dat vervloekte document. Dirk had het niet nodig gevonden. Dat vertellen we haar later wel, had hij gezegd, maar nu was het te laat. Ze hadden het per ongeluk gevonden en waren ermee naar Amsterdam gegaan. Hoe had het kunnen gebeuren dat ze het gevonden hadden, zelfs de moffen hadden er vergeefs naar gezocht.
Geertruida slikte moeilijk toen ze heel even aan haar zoon Bert dacht, het was een gevoelige jongen en hij had het verlies van zijn zus nooit kunnen verwerken. Snel zette ze de gedachte van zich af en glimlachte toen ze naar haar kleinkind keek die in haar kamer aan de transistorradio geplakt zat. Ansje zong vrolijk mee met Peter en zijn Rockets die Veronica Sorry zongen.
Dat is waar ook, de laatste dag van Veronica, dacht Geertruida en ze liep naar de keuken om naar het eten te kijken. In het voorbijgaan liep ze langs het dressoir met daarop een verkleurde zwart-wit foto van haar zwager Bertus. Het was de laatste foto van hem. In uniform en vlak voordat hij afvaarde naar Indië. Het zit ons niet mee, dacht ze en stofte gewoontegetrouw het lijstje af.
Nadat ze ervan verzekerd was dat de spruitjes nog goed aan de kook waren keek ze of het draadjesvlees niet droogkookte. Ze stond nog met de deksel in haar hand toen de deurbel ging. Het was Cees Visser, een van de agenten die al die jaren geleden meegewerkt had aan het onderzoek. Als een bezoeker uit een nachtmerrie uit het verleden stond hij, frummelend met zijn vingers, bij de voordeur.
Geertruida’s gezicht betrok toen ze hem zag en alle gebeurtenissen die ze wilde vergeten kwamen weer helder naar boven: de pijnlijke onderzoeken naar de achtergrond van Wim en Annemieke, de vragen of ze wel gelukkig waren, het weghalen van Ansje en het gevecht om haar zelf te mogen opvoeden.
Inspecteur Visser was weinig veranderd in al die jaren, alleen zijn haar en bakkebaarden waren net als zijn kleding met de mode meegegroeid. Hij stelde zich voor maar Geertruida liet merken dat ze hem nog wel degelijk herinnerde.
‘Het spijt me dat ik u hiermee lastig moet vallen’, maar ik zou toch nog graag wat vragen stellen aan Ansje’, zei hij met een Volendams accent.
‘Dat zal niet gaan meneer Visser’, zei Geertruida koeltjes. ‘U weet dat ze toen drie jaar oud was en ze kan zich niets meer herinneren van het hele voorval, en gelukkig maar inspecteur.’

Uit beleefdheid liet Geertruida hem binnen. De agent snoof de weeïge spruitjeslucht op en een twinkel verscheen in zijn ogen. ‘Mm, het ruikt hier lekker.’
Geertruida bood de agent koffie en een koekje aan. De eerste schok van de confrontatie met het verleden was voorbij en ergens diep in Geertruida gloeide een beetje hoop op een bevredigender verklaring van de politie en ze was nieuwsgierig waarom hij hier onaangekondigd had aangebeld.
‘Waarom bent u hier, is het onderzoek heropend?’ vroeg ze en probeerde niet te hoopvol te klinken.
Cees schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik ben hier op persoonlijke titel. Het laat me na al die jaren nog steeds niet los. Het drukt zwaar op mijn geweten.’
Hij zweeg even en keek de kamer rond. ‘Uw man is er niet?’
‘Dirk is vissen’, zei ze en ze ging zitten, nieuwsgierig voorovergebogen naar haar gast en vroeg zich af wat er aan de hand kon zijn.
‘Dan moet u het hem maar vertellen. Het zit namelijk zo…’
Cees zweeg even en nam een slok koffie. Het was duidelijk dat hij moeite had met wat hij ging zeggen. ‘Ik heb het u nooit kunnen en durven zeggen, maar net als u heb ik ook nooit geloofd dat het een ongeluk was. Ik weet bijna zeker dat er meer aan de hand is. Het onderzoek moest echter van hogerhand snel worden afgerond.’
‘Van hogerhand?’
‘Ja, ik weet er het fijne niet van, want ik was toen nog jong en het was mijn eerste grote zaak, dus ik vond het niet eigenaardig. Maar nu…’
Hij zweeg weer even en knabbelde zichtbaar ongemakkelijk van zijn koekje.
Geertruida knikte bemoedigend en hij ging verder. ‘Nu ik al wat meer zaken heb gehad en meer ervaring heb, moet ik steeds weer terugdenken aan de dood van uw dochter en schoonzoon. Het is me duidelijk dat het geen ongeluk was en het is achteraf ook heel vreemd dat het onderzoek zo plotseling moest stoppen. We moesten er een ongeluk van maken en zo is het gerapporteerd.’
Geertruida kon bijna niet geloven wat ze hoorde en begon sneller te ademen zodat ze licht in haar hoofd werd. Ze kalmeerde zichzelf en liet niets merken.
‘Waarom zegt u dit nu?’ zei ze zo rustig mogelijk.
‘Zoals ik zei, er klopte iets niet en ik denk er nog altijd aan terug. Het was mijn eerste zaak en het zou fijn zijn die ooit nog goed op te lossen en ik was vandaag toevallig in de buurt dus ik heb al mijn moed bij elkaar geschraapt.’
‘Heel vriendelijk van u.’
Er viel een pijnlijke stilte.
‘Hoe gaat het met Ansje?’ vroeg inspecteur Visser.
‘Die wordt al groot, ze is al twaalf.’
‘Wat gaat dat snel hè? Mijn Teun is al vijftien en hij wil later niets liever dan ook politieagent worden. Net als ik.’ Hij lachte zachtjes en probeerde zijn vaderlijke trots niet al te zeer te laten zien.
Vanuit Ansje’s kamer klonk Chi Coltrane’s You Were My Friend door het huis.
‘Ansje, kan het wat zachter?’ riep Geertruida haar toe. Het geluid werd zachter gezet, maar langzaamaan ook weer harder.
‘De laatste dag van radio Veronica, ze wil er geen seconde van missen’, verontschuldigde Geertruida zich.
Cees keek op zijn horloge. ‘Het laatste uur zelfs.’
Lange tijd zwegen beiden en slechts de muziek en het tikken van de klok vulden de stilte.
‘Dus’, probeerde Cees het voorzichtig, ‘is u misschien iets opgevallen, de dagen voor het ongeluk?’
Geertruida dacht koortsachtig na. Dit was haar kans om de waarheid te zeggen, dat het allemaal door dat oude papier kwam, maar ze wist zeker dat de inspecteur haar niet zou geloven. Bovendien zou ook hij gevaar lopen als hij er vanaf zou weten en nog meer doden zou ze niet kunnen verdragen. Nee, hoe minder mensen hiervan weten, hoe beter, dacht ze. Het is beter alles te vergeten.
Ze schudde haar hoofd en forceerde een glimlach bij zichzelf. ‘Nee, er schiet me niets te binnen. Het was een ongeluk. Ik stel uw zorgen op prijs, maar het hoeft echt niet. We proberen het achter ons te laten.’
Cees nam een slok koffie die hij koud had laten worden en hij slikte het vel dat erop lag met een gruwel door. Hij liet echter niets merken en keek de vrouw vriendelijk aan en probeerde haar te doorgronden. Ze weet meer, dacht hij. Mijn politieinstinct vertelt me dat ze iets verbergt, maar wat?
Door de gang klonk intussen een geëmotioneerde Rob Out die afscheid nam van zijn zeezender.
‘Jammer’, zei Cees, maar als u iets te binnen schiet of als u of uw man me willen spreken kunt u me altijd bellen. Ik zal mijn thuisnummer geven, want dit is privé, ik heb liever niet dat mijn collega’s hiervan weten.’
Hij schreef op een papiertje zijn telefoonnummer en nam vriendelijk afscheid van Geertruida.
‘Doe uw man de hartelijke groeten’, zei Cees en stond op.
Geertruida liet hem uit en deed de deur achter hem dicht waarna het haar te veel werd. Onder de klanken van het Wilhelmus zakte ze met haar rug tegen de deur door haar knieën en tranen liepen langzaam over haar wangen.
Ansje hoorde haar oma en liep de gang op.
‘Oma?’ vroeg ze verbaasd. ‘Ik wist niet dat u het erg vond dat Veronica stopt.’
Geertruida Broding barstte nu in huilen uit.

Radio veronica 31 augustus 1974
Radio veronica 31 augustus 1974

Ver daarvandaan, midden op de Noordzee zat de bemanning van de Norderney verslagen bijeen. Fotografen legden de laatste momenten van Radio Veronica vast. De grafrede voor Veronica had Rob Out eerder die dag samen met geluidstechnicus Atze Veenstra opgenomen. Bij Atze hadden daarbij de tranen over de wangen gerold, dit was ook zijn afscheid van de zender die in de jingles de frequentie met een meter had ingekort. “Veronica 538, op volle kracht” klonk nu eenmaal beter dan alles wat op 539 rijmde. De klok tikte nu af naar zes uur, de laatste klanken van het volkslied stierven weg en de Veronica jingle werd opgestart. De stekker moest er uit, maar overmand door emoties lukte het Rob Out niet en het was Atze die zijn emoties nu de baas bleef. Om precies zes uur, halverwege de jingle, trok hij de stekker eruit en werd het stil op de 539 meter.

Hoorn, mei 2012

Matthijs nam plaats naast Esther en vroeg wat ze wilde drinken waarna hij voor zichzelf een koffie bestelde en voor haar een Spa Blauw.
‘Je hebt hem niets gezegd?’
‘Zoals beloofd’, zei Matthijs op een padvinderstoon. ‘Zoals je waarschijnlijk hebt kunnen horen. Maar vertrouw je hem dan niet?’
‘Ik vertrouw niemand. En zelfs als ik hem zou vertrouwen, dan weet ik niet of ik iedereen aan wie hij over het document vertelt kan vertrouwen.’
‘Dat zal toch niet, aan wie zou hij het moeten vertellen?’ Matthijs klonk bijna verongelijkt.
‘Aan wie moest jij het zo nodig vertellen en hoe zijn ze ons zo snel op het spoor gekomen?’
Matthijs slikte en zweeg. Hij wist dat het zijn fout was, want hij had contact opgenomen met zijn professor. Hij had er geen kwaad in gezien, maar hij wist nu beter. Zijn houding zakte een beetje ineen.
‘Sorry’, zei hij schuldbewust. ‘Maar vertrouw je mij wel?’ vroeg hij voorzichtig. ‘Ik bedoel…’
Hij zweeg, want hij wist zelf niet goed wat hij eigenlijk wilde zeggen.
‘Hm, misschien vertrouw ik je niet, maar om eerlijk te zijn, voordat ik contact met je opnam heb ik eerst alles over je uitgezocht en je lijkt me niet erg geschikt voor een van de XVII of om zelfs maar voor hun te werken. Daar ben je niet hard genoeg voor.’
Matthijs zweeg en wist niet of hij het als een compliment moest opvatten of niet. Hij nam daarom nog maar een slok koffie.
‘Je moet niet zoveel koffie drinken, dat is niet goed voor je’, zei Esther belerend.
‘Goed, ik zal straks ook water proberen.’
‘Proberen?’ vroeg Esther oprecht verbaasd. ‘Bedoel je dat je nooit water drinkt?’
‘Eeh.’ Matthijs wist zich geen houding te geven en bracht het gesprek daarom maar snel terug op de zeventien.
‘Dat verhaal over die zeventien. Is dat niet één grote samenzweringstheorie?’ zei hij.
‘Misschien’, zei Esther, ‘maar het bestaansrecht van elke goede samenzweringstheorie ligt in de samenzweringstheorie zelf, want elke ontkenning van de theorie wordt door de aanhangers alleen maar gezien als bewijs dat ‘men’ er belang bij heeft de theorie te ontkennen. Elke fractie aan indirect bewijs wordt daartegenover uitvergroot en aangevoerd als bewijs van de samenzwering. Een goede samenzweringstheorie blijft dan ook zichzelf versterken zolang er mensen zijn die het geloven.’
Matthijs viste met zijn lepel voorzichtig in zijn koffie. Een heel klein vliegje was er net in gewaaid en hij probeerde het voorzichtig te redden. Intussen probeerde hij tevergeefs te begrijpen wat Esther hem zojuist had proberen uit te leggen.
‘Het is duidelijk dat jij hier al over hebt nagedacht, maar als ik je goed begrijp is zo’n theorie waar omdat mensen vinden dat het waar is.’
‘Precies.’
‘Dus misschien bestaan die zeventien niet, maar denkt men het alleen en omdat men het denkt doen ze dingen voor die fictieve zeventien.’
‘Klopt’, zei Esther. ‘Maar het is uiteraard ook mogelijk dat de XVII wel echt bestaan.’ Ze zweeg even en vervolgde: ‘Of ze bestaan of niet is momenteel niet relevant, we kunnen er het beste van uitgaan dat ze wel bestaan.’
De serveerster liep langs en Matthijs bestelde met enige trots en nadruk voor zichzelf een water.

Lees verder

Klik hier voor het volgende hoofdstuk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*