XVII – 4

XVII – 4

Alle rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het vierde deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Hoorn, enkele uren eerder

Die ochtend werd Matthijs ruw uit zijn slaap gewekt. Iemand belde constant aan. Hij zette zijn bril op en keek op zijn horloge. Vijf uur, wie kon dat zo vroeg zijn?
Met zijn magere en ietwat slungelige lijf draaide hij zich uit bed en met de slaap nog in de ogen wankelde hij in zijn te kleine pyjama naar de voordeur. Hij zette die op een kier om te kijken wie er stond te bellen, maar voor hij wist wat er gebeurde werd de deur opengegooid, Esther glipte naar binnen en sloot de deur direct weer.
‘Wat, wat is dat?’ stamelde Matthijs.
‘Ik ben het, Esther’, zei ze gejaagd.
Matthijs’ mond stond open en wist niet wat hij moest zeggen.
‘Waar is dat papier dat ik je gisteren gebracht heb, is het veilig opgeborgen?’
‘Eh ja, maar je had ook gewoon morgen kunnen bellen als je het terug wilt hebben.’
Hij liep naar de kleine woonkamer en deed een lamp aan, maar Esther deed direct de lamp weer uit. In de korte tijd dat het licht brandde zag Matthijs dat Esther er ondanks het nachtelijk uur nog fris uitzag. Ze was gekleed in een lichtblauw yogapak en haar haren hingen los.
‘Ga zitten’, zei Esther op een toon die duidelijk maakte dat ze geen tegenspraak duldde.
Matthijs ging gehoorzaam zitten en Esther gluurde langs de gesloten gordijnen naar buiten waarna ze zich tot Matthijs richtte.
‘Je zult vast wel denken, wat doet zij hier zo onverwacht ‘s nachts, maar ik heb een goede reden. Er is vannacht bij me ingebroken.’
‘Wat naar’, zei Matthijs met medelijden, ‘heb je de politie al gebeld?’
‘Nee, en dat heeft nu ook geen zin meer, die vogel is al lang gevlogen, maar hij was uit op dat document dat ik je gisteren gaf.’
‘Waarom denk je dat?’ vroeg Matthijs en hij dacht op hetzelfde moment terug aan de waarschuwing die de professor hem had gegeven voordat hij de internetverbinding zo abrupt verbrak.
‘Dat document is vervloekt, zo lang het bestaat wordt er op gejaagd, maar ik wist niet dat het zo erg was.’
Matthijs liep naar zijn kleine keukentje en maakte in het duister een espresso voor zichzelf. ‘Wil je ook koffie?’
‘Nee, doe mij maar een glas water.’
Water, dacht Matthijs terwijl hij een glas vol liet lopen, kan je dat dan ook drinken?
Hij gaf haar het glas en zei gapend: ‘Ik begrijp er niets van, misschien is het goed bij het begin te beginnen.’
Esther knikte. Je weet het echt niet hè? Ik zal vertellen wat ik weet, maar eerst moet ik weten of het document veilig is.’
‘Ik heb het mee naar huis genomen. Het is hier en goed opgeborgen, zoals beloofd’, zei Matthijs en onderdrukte een geeuw.
Esther haalde opgelucht adem en liet zich in een stoel zakken en begon te vertellen wat er gebeurd was.
‘Ik stond op punt om naar bed te gaan toen ik zacht gerammel aan de voordeur hoorde, gevolgd door gekraak. Ze dachten waarschijnlijk dat ik sliep, maar ik was nog aan het mediteren en hoorde en zag alles. Ik sloop naar de voordeur en in de hal stond iemand, geheel in het zwart, zwarte handschoenen, bivakmuts, alles. Het leek wel een ninja, maar dan een onhandige en een beetje vadsig. Omdat hij niet verwacht had dat ik nog wakker was, kon ik hem verrassen. De vechtpartij duurde niet lang, maar ik heb hem een paar rake klappen kunnen verkopen en daarna vluchtte hij weg voor ik hem kon vastzetten.’
Matthijs’ ogen werden groot. Hij snapte bijna niets van het verhaal, het riep heel veel vragen bij hem op en hij maakte een afwerend gebaar met zijn hand.
‘Wacht even, dit begrijp ik niet. Waarom sliep je niet en waarom heb je de politie niet gebeld en… waarom heb je die inbreker aangevallen?’
‘Ik heb aan een paar uur slaap genoeg’, zei ze luchtig. ‘En het duurt uren voor de politie er is.’
‘Maar waarom val je iemand aan, dat is toch gevaarlijk?’ zei hij ontdaan.
Hij keek naar het slanke lichaam van Esther en vroeg zich af hoe het er uit zou zien als zij tegen een gezette inbreker zou vechten.
Tijd om verder te praten kreeg het tweetal niet want op dat moment klonk er glasgerinkel bij de voordeur. Matthijs’ hart sloeg over en hij keek verschrikt naar Esther. Zij gebaarde hem direct stil te zijn en stond kordaat op. Doelgericht liep ze geluidloos naar de kamerdeur.
Er klonken voetstappen in de gang, glasscherven kraakten onder een schoen en knarsend ging de deur van de woonkamer behoedzaam een klein stukje open. Matthijs’ wilde instinctief zo ver mogelijk bij de deur vandaan en zijn ogen werden dan ook groot toen hij zag dat Esther juist naar de deur toe sloop. Waarschuwend schudde hij heftig van nee, maar door het duister zag ze het niet, of ze wilde het niet zien.
Toen de deur een klein stukje open was verscheen er een zwarte handschoen dat een groot mes omklemde. Langzaam liep de inbreker verder maar toen de onderarm door de opening was sloeg Esther met kracht de deur dicht. Het mes kletterde op de vloer en een enorme vloek klonk door de gang.
‘Au’, kreunde een zware mannenstem.
‘Wat is er?’ zei een tweede stem, maar die kreeg geen antwoord, want Esther opende de deur terwijl ze de arm beethad. De gemaskerde inbreker kon daardoor niet weg en ze maakte daar gebruik van door met haar been krachtig uit te halen naar de man. Het was een snelle en soepele beweging die direct effect had.
De gezette man zakte ineen en op de achtergrond verscheen een schim van de tweede inbreker die een ogenblik stil stond en het tafereel bekeek. Daarna maakte deze zich met grote sprongen uit de voeten en liet zijn kameraad kreunend van de pijn op de grond liggen.
‘Kreng’, vloekte de laatste tegen Esther.
Matthijs stond op en probeerde Esther tegen te houden, maar hij was te laat en ze gaf de man een forse kaakslag. De man kreunde het uit en spuugde door zijn bivakmuts heen bloed op de grond en kroop op handen en voeten weg.
Matthijs hield Esther nu tegen en dat gaf de man de gelegenheid op te krabbelen en er ook vandoor te gaan.
‘Sukkel, hij ontsnapt’, verweet Esther Matthijs en ze probeerde de man bij zijn mouw te pakken, maar deze scheurde en nu was in het zachte licht van de nacht op de arm van de man een merkwaardige tatoeage te zien. Van schrik liet Esther in een reflex los en dat was juist voldoende voor de inbreker om te ontsnappen en kreunend van de pijn holde hij onbeholpen de nacht in.

‘Ik was dus naar jou gegaan om je te waarschuwen’, zei Esther kalm toen ze later weer op de bank zaten. ‘Blijkbaar terecht.’
‘Hoe, hoe deed je dat?’ stamelde Matthijs die nog steeds niet kon bevatten wat er gebeurd was. ‘En hoe kom je aan mijn adres?’
Esther glimlachte. ‘Je adres staat in het telefoonboek’ zei ze nuchter. ‘En ik heb zwarte band kickboksen’, zei ze kort en haalde bescheiden haar schouders op.
‘Wow, dat wil ik ook leren’, zei Matthijs bewonderend.
‘Ja ja’, zei Esther en draaide met haar ogen. ‘Daar hebben we het nog wel een keer over, maar begrijp je nu hoe gevaarlijk dat papier is?’
Matthijs knikte. Hij begreep het. Eerst hadden ze bij haar ingebroken en nu bij hem. Bovendien was het duidelijk waarvoor ze kwamen, want de tatoeage van de inbreker liet daar geen twijfel over bestaan, die had Matthijs uit duizenden herkend. Het was het logo van de VOC.

In het eerste ochtendlicht liepen Esther en Matthijs door de straten van Hoorn. De vogels floten luid en behalve een krantenjongen op zijn ronde was er niemand op straat. Iedereen sliep nog.
Thuis hadden ze nog het glas opgeveegd en een plankje voor het kozijn gezet en toen ze daarmee klaar waren was het al schemerig geworden.
‘Ze zullen nu niet meer komen’, had Esther gezegd en nam daarna kort afscheid van Matthijs.
‘Ik kom zo terug, ik moet wat spulletjes van huis halen, dan gaan we daarna naar het museum. Ga jij nog maar even wat slapen’, riep ze hem toe en rende naar haar huis.
Van slapen was weinig gekomen en Matthijs had tegen de schrik nog een paar koppen koffie gedronken. Intussen bekeek hij het document dat hij bewaard had. Omdat hij het de vorige avond nog had bestudeerd had het eenvoudigweg op een tafeltje naast zijn bed gelegen, maar het leek hem beter dat voor zich te houden.
Hij was net begonnen aan zijn derde kop koffie toen Esther op de deur klopte. Ze had een tas bij zich met daarin een laptop en het tweede document en ze had zich omgekleed en zag er in haar zakelijke kostuum totaal anders uit. Matthijs vond haar er nog aantrekkelijker uitzien, maar hij zei niets.
Esther zag hem een fractie van een seconde te lang kijken. ‘Het lijkt me beter niet al te snel herkend te worden als diezelfde vrouw die er gisteren ook was’, zei ze kortaf.
Matthijs begreep het niet, maar na de gebeurtenissen van de afgelopen nacht stond hij niet lang stil bij deze uitleg.
Esther had voorgesteld naar Matthijs’ werk te gaan en nu liepen ze door de lege straten. Esthers hakken klikten luid op de straatstenen.
‘Heb je tegen niemand iets gezegd?’ vroeg ze met lichte twijfel in haar stem.
‘Nee, natuurlijk niet. Nou ja, wel tegen mijn professor’, gaf hij toe.
Esther stond stil en draaide met haar ogen. ‘Ik had je gewaarschuwd het tegen niemand te zeggen.’
Matthijs keek schuldbewust naar de grond. ‘De prof zei ook dat het gevaarlijk was en dat de computer misschien gehackt was en dat de berichten meegelezen konden worden.’
‘Daar heeft jouw prof dan gelijk in gehad’, verweet ze hem.
‘Ik kon het toch ook niet weten.’
‘Nee, dat is zo, maar luister in het vervolg wel naar mij.’
Matthijs vroeg zich af welk vervolg ze bedoelde en ook Esther leek dat te denken.
‘Je denkt toch niet dat het nu is afgelopen? Iemand wil dat document van mij hebben.’
‘Wie dan?’
‘In mijn familie gaat al heel lang een verhaal over de XVII die het willen hebben.’

Haarlem, Paviljoen Welgelegen, 27 Mei 1809

De koning van Holland scherpte zijn pen, doopte zijn veer in de inkt en begon te schrijven.

Très cher frère, Zeer geachte broer,
Ondanks de huidige precaire situatie in Walcheren die uw en mijn volle aandacht hebben, heb ik bijzonder goed en vreugdevol nieuws voor U, notre Empereur. Sinds de Leidse buskuitramp van de 12 januari 1807 heb ik steeds betere betrekkingen met de Nederlanders kunnen opbouwen. Ik hoef u niet te zeggen hoe groot de ramp was voor Nederland en de stad Leiden in het bijzonder, maar deze ramp is onbedoeld wellicht een zegen geweest voor u, geachte broer.

De koning van Nederland stopte even met schrijven en met een diepe zucht dacht hij terug aan de vreselijke buskruitramp. De ontploffing van het schip, volgeladen met buskruit, dat dwars door Leiden voer kostte op 12 januari 1807 aan meer dan 150 mensen het leven en meer dan 2000 mensen raakten gewond. De klap was tot in Den Haag te horen en meer dan 200 huizen waren totaal verwoest. Koning Lodewijk Napoleon was binnen enkele uren ter plaatse en verleende er hulp aan de getroffenen. Ook gaf hij 30.000 gulden van zijn eigen vermogen aan de wederopbouw en maakte hij soldaten vrij om de stad te herstellen. Gewonden liet hij opvangen in zijn Paleis Huis ten Bosch en een nationale inzamelingsactie bracht nog eens 2 miljoen op voor de Leidse slachtoffers.

Hoewel hij geen bijbedoelingen had en oprecht begaan was met de slachtoffers en uit mededogen had gehandeld was de koning van Nederland, broer van Keizer Napoleon Bonaparte, sinds de ramp enorm populair geworden.
Hij schreef weer verder.

Sinds de ramp heb ik met name bijzonder goede betrekkingen met Guillaume Frédéric d’Orange-Nassau. Van hem heb ik in vertrouwen vernomen van het bestaan van de XVII. Dit is een geheim genootschap van zeventien invloedrijke Hollanders die als een schaduwregering het land besturen en overal invloed hebben. Ook Guillaume zegt lid te zijn van dit genootschap. Hoewel ik dit betwijfel, is het een feit dat het Nederlandse verzet tegen ons verwaarloosbaar is sinds mijn goede contacten met deze Guillaume. De brief waarin hij dit alles uiteenzet heb ik in de enveloppe bijgevoegd.
Wat ik u wil schrijven, cher Empereur, is het volgende: Guillaume vertelde mij in hetzelfde gesprek dat de XVII, die zichzelf als de opvolgers zien van de Heeren XVII van de VOC, weten van het bestaan van een zeer grote schat. Het bestaan hiervan is goed gedocumenteerd, maar deze documenten zijn door tegenstanders van de XVII gecodeerd en bijzonder goed verborgen, zodat deze XVII niet weten waar deze schat zich bevindt en dit genootschap zoekt er reeds enkele decennia vergeefs naar. Volgens de overlevering zou de eigenaar van deze documenten de rijkste en invloedrijkste persoon ter wereld zijn. Vandaar dat het voor mij niet meer dan vanzelfsprekend is U hiervan op de hoogte te brengen.
Persoonlijk heb ik reeds enkele zoektochten gehouden naar wat de l’héritage de Riebeeck heet. Mijn zoektochten in Utrecht, Amelisweerd, Amsterdam en Haarlem hebben nog niets opgeleverd, maar mij is onlangs ter ore gekomen dat deze precieuze papieren ergens in het noorden van Holland verborgen schijnen te zijn.
Ik denk daarom dat het goed zal zijn als u persoonlijk een zoektocht gaat leiden naar deze erfenis.
Met koninklijke groeten,
Louis Bonaparte koning van Holland, Pavillon Welgelegen, 27, Mai, 1809

Toen Napoleon Bonaparte, keizer van Frankrijk deze brief van zijn broer las, was zijn interesse onmiddellijk gewekt en nog dezelfde zomer werd zijn broer naar Parijs teruggeroepen en het jaar daarna werd Nederland, in tegenstelling tot de meeste andere veroverde gebieden als het tegenwoordige Spanje of Duitsland geen vazalstaat of bondgenoot van Frankrijk, maar maakte onderdeel uit van het Franse Rijk, met Napoleon Bonaparte als staatshoofd. In oktober 1811 maakte Napoleon een uitgebreide reis door Nederland, wanhopig op zoek naar de vermeende rijkdom. Hij verbleef o.a. in Amsterdam, maar maakte ook een tocht door West-Friesland waar hij op 15 oktober bijna zonder te stoppen ook door Hoorn reed. Hij wist toen niet dat hij dichter bij de erfenis van Van Riebeeck was dan hij ooit zou komen.

In 1795, drie jaar voor het faillissement van de VOC, werd Nederland bezet door Franse troepen. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en schreef daar vanuit zijn ballingsoord Kew Palace de ‘Brieven van Kew’.
In deze brieven gaf hij als hoogste Hollandse militair opdracht de koloniale bezittingen over te dragen aan de Britten, dit om te voorkomen dat de Nederlandse kolonies in handen van de Fransen zouden vallen. Aan de Britse koning George III schreef hij een brief met het verzoek de Nederlandse kolonies te bezetten.
Deze brieven leidden tot woede in Holland, verwarring in kolonies waar er nog een machtsstrijd was tussen Oranjegezinden en patriotten, en de overgave van veel andere kolonies aan de Britten, zoals Ceylon en de Kaapkolonie.
Er braken roerige tijden aan in Nederland en de terugkeer van de rust heeft Willem V niet meegemaakt. Hij stierf in 1806, acht jaar voor zijn zoon Willem Frederik koning van Nederland werd. Toen in 1814 de Franse tijd in Nederland ten einde kwam werden de meeste kolonies weer teruggegeven, maar Guyana, Ceylon en ook de Kaapkolonie bleven in handen van de Britten.

Guillaume, of zoals hij in Nederland heette, Willem Frederik, was verbitterd dat hij na de Leidse buskruitramp de verkeerde persoon in vertrouwen had genomen over de XVII. Toen hij als Koning Willem I de eerste koning der Nederlanden werd heeft hij er dan ook persoonlijk voor gezorgd dat de gedenknaald in Leiden waartoe Louis Bonaparte besloten had niet werd opgericht. Hij wilde niet herinnerd worden aan zijn inschattingsfout. Het monument kwam dan ook niet verder dan de gemetselde fundamenten en tegenwoordig herinnert slechts een bescheiden gedenksteen nog aan de buskruitramp. Het gat dat de ontploffing in de stad had geslagen werd al snel ‘De Ruïne’ genoemd, maar staat tegenwoordig bekend als het Van der Werfpark en is vernoemd naar Pieter Adriaansz. Van der Werff, burgemeester van Leiden toen de stad tijdens de tachtigjarige oorlog werd belegerd.

Lees verder

Klik hier voor de volgende twee hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*