XVII – 3

XVII – 3

Alle (ja ALLE) rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het derde deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.
Een berichtje hoe je het vond wordt erg op prijs gesteld.

Batavia, 30 mei 1676

‘U heeft uw missie volbracht?’ vroeg de zevenenvijftig jaar oude Jan van Riebeeck vlak na zonsondergang aan de Assistent secretaris Willem Dijckman.
‘Jawel Secretaris’, antwoordde deze zachtjes.
Jan van Riebeeck zuchtte opgelucht, zette zijn pruik af en depte met een smetteloos witte kanten zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. Hoewel hij al jaren in de tropen woonde en de hitte wel gewend was leek het vandaag nog drukkender dan anders. Ook de wind bracht geen verkoeling maar was benauwend. Met de wind kwamen tropische klanken het koloniale gebouw binnenwaaien. Het schelle geluid van de cicaden knerpte onafgebroken in zijn oren en een gekko die over de muur liep liet ook van zich horen. In de straten jankten een paar verwilderde honden naargeestig naar elkaar en ergens in de verte klonk een gamelan, vermengd met een oproep tot gebed van een moskee ver weg.
In een vergeefse poging koelte binnen te laten zette Jan van Riebeeck de ramen open. Zijn blik volgde de kalongs, de vliegende honden, die in grote zwermen uitvlogen. Nog verder weg zag de lucht dreigend zwart en verduisterden dikke wolken de eerste sterren en lichtflitsen kondigden de regen aan die weldra voor welkome verkoeling zouden zorgen. Hij keerde zijn rug naar het raam en richtte zich tot zijn gast.
‘Neem wat te drinken, want we hebben nu wel wat te vieren lijkt me’, zei hij gul. Hij wees Willem met een ruim gebaar op de tinnen kan met aangelengde wijn.
Kort daarna zaten beiden samenzweerderig aan tafel en proostten op de goede afloop. Van Riebeeck nam de vrijheid zijn kraag wat losser te knopen en knikte goedkeurend naar zijn oude vriend. Deze begreep de hint en knoopte zijn kraag ook wat losser. Deze vrijpostigheid konden ze zich nu wel veroorloven.
‘Dat zal die Zeventien leren’, zei Van Riebeeck zacht. ‘Ik durf ze zelfs geen heren te noemen, want het zijn niet meer dan op geld en macht beluste schurken, die zeventien mannen in Middelburg en Amsterdam. Eerst mij aan de kant zetten en als het ze weer uitkomt mij weer in dienst nemen.’
‘Schandalig’, praatte Willem Dijckman hem na.
‘Vooral die Dirk Pruys.’ Hij sprak de naam met walging en minachting uit. ‘Hij is niet eens lid van de Heren XVII, en zijn opvolger Pieter Van Dam is geen haar beter, maar dit zal ze leren. Nooit zullen ze zo rijk en machtig worden als ik.’ Jan van Riebeeck grijnsde breed toen hij dat zei. ‘Ik alleen zal weldra invloedrijker zijn dan de hele compagnie.’
‘Dat is heel mooi mijn heer’, zei de Willem gluiperig.
Jan van Riebeeck wierp hem een minderwaardige blik toe. ‘Voor uw trouw zult u rijkelijk beloond worden.’

Twee jaar eerder had Jan van Riebeeck zijn persoonlijk Assistent en oude vriend op een geheime missie gestuurd. Zijn ontdekking, nu bijna dertig jaar geleden, had hem nooit meer met rust gelaten en hij had sinds hij teruggeroepen werd uit Tonquin alles in het werk gesteld om te voorkomen dat het in handen van de VOC zou vallen. Hoewel hij veel aan de Compagnie te danken had, hij was intussen opgeklommen tot Secretaris van de Gouverneur-Generaal, koesterde hij nog steeds een enorme wrok over zijn terugroeping. Dit voortijdige einde van zijn tot dan toe voorspoedige carrière zou hij de Compagnie nooit vergeven. Hij had de VOC rijker en machtiger kunnen maken dan ze zich zouden kunnen voorstellen, maar zodra hij in Tonquin vernomen had dat hij terug moest had hij niet geaarzeld en besloten deze kennis voor zichzelf te bewaren.
Weer in Holland had hij tevergeefs geprobeerd de Heren XVII onder druk te zetten. Hij had hen zijn ontdekking aangeboden, in ruil voor een hoge post in Indië, maar ze waren er niet op in gegaan en tenslotte had hij in 1648 teleurgesteld ontslag genomen.
Als hij er aan terugdacht kon hij er nog steeds boos en verontwaardigd over worden. Ja, toen er oorlog met de Engelsen dreigde konden ze me wel gebruiken, dacht hij. Mij met de kerstvloot als opperkoopman naar De Kaap sturen om er een nederzetting te bouwen. Ze hadden zeker niet gedacht dat het me zou lukken. Als commandant van Fort Duijnhoop – dat ik nota bene zelf heb gesticht – heb ik de Compagnie een mooie verversingspost gegeven. De vlag van de VOC wappert er nog steeds en de Engelsen hebben het nakijken, dacht hij tevreden.
Hoe langer hij er over nadacht, hoe meer hij overtuigd was van zijn besluit om de Compagnie niet in kennis te stellen van wat hij wist. Hoewel hij na jaren uiteindelijk secretaris van de Gouverneur-Generaal was geworden hield hij het nog steeds geheim en in 1674 had hij zijn persoonlijk assistent op de geheime missie gestuurd.
Jan van Riebeeck vond zichzelf de slechtste niet. Hij had de Compagnie schatrijk gemaakt. Het was zijn plan geweest om de lucratieve monopoliepositie van de VOC op kruidnagels te versterken door alle kruidnagelbomen buiten Ambon te kappen. Deze zogenaamde hongi-tochten hadden de VOC veel geld opgeleverd, maar het was Arnold de Vlamingh van Oudshoorn geweest die met de eer was gaan strijken. Nee, hij was al die jaren nog veel te bescheiden geweest.
Hij gaf de Compagnie nog drie jaar, tot 1679, om hem tot Gouverneur-Generaal te benoemen. Hij zou dan zestig zijn en dat was een mooie leeftijd om het hoogst denkbare bereikt hebben. Hij zou dan wel even orde op zaken stellen in Batavia en zou de Compagnie deelgenoot maken van zijn ontdekking en de wereld zou aan zijn voeten liggen.
Maar de Compagnie was onbetrouwbaar en de Heren XVII wispelturig. Als hij op zijn zestigste nog geen Gouverneur-Generaal zou zijn, zou hij de kennis voor zichzelf houden en rijker en machtiger worden dan de hele VOC en WIC samen. Gouverneur-Generaal of niet, wat er ook zou gebeuren, zijn toekomst was rooskleurig.
Hoewel hij wist dat de kans klein was, was het altijd mogelijk dat het schip waarop hij zou varen zou vergaan en daarmee ook zijn ontdekking. Om er voor te zorgen dat zijn kennis binnen de familie bleef had hij alles zorgvuldig beschreven voor zijn nageslacht.

Nu, twee jaar later leek alles gelukt te zijn en hij keek tevreden terug. Zijn zoon Abraham was geboren in Fort Duijnhoop en bleek als snel een slimme knaap te zijn. Jan zag een grote toekomst voor hem weggelegd en had hem dan ook naar Leiden gestuurd om daar rechten te studeren. Nog een paar jaar en dan is hij klaar met zijn studie, dacht Van Riebeeck.
Toen vandaag het schip met aan boord zijn assistent had aangelegd in de haven van Batavia had Jan onmiddellijk het document geschreven als ware het een testament voor zijn zoon.
Mocht mij iets overkomen dan geeft dit papier mijn zoon Abraham toegang tot grote rijkdommen en macht, dacht hij. Het enige dat nu nog ontbreekt is een passende ondertekening van het testament.
Jan schoof het papier zijn assistent toe. Deze nam nog een slok wijn uit de tinnen kan en in het licht van een flakkerende olielamp las hij het aandachtig. Hij knikte daarbij regelmatig goedkeurend.
‘Alles klopt’, zei Willem nadat hij het gelezen had. ‘Alleen u en degene die dit papier heeft zal weten van uw ontdekking.’
Jan van Riebeeck stond op en liep naar de deur. ‘Dat klopt, alleen ik, de bezitter van dit document en u…’
Er klonk een onbehaaglijke dreiging in zijn stem en Willem Dijckman keek daarom vreemd op. Jan opende de deur en verontrust stond Willem op, maar Jan draaide zich om en zei vriendelijk glimlachend: ‘Ik ga alleen even uw beloning halen.’
Gerustgesteld ging de assistent weer zitten.
‘Itu sejauh, het is zo ver’, zei Jan tegen Tuan Cahyono, de bewaker die op de gang stond. Deze bewaker, een kleine Indische man met kleurrijke traditionele kleding aan, kwam nederig buigend naar binnen met een kistje dat hij plat op zijn handen voor zich hield.
‘Memberikan apa yang layak, geef hem wat hij verdient’, zei Jan met een gulle glimlach.
Willem Dijckman stond op, pakte dankbaar het kistje aan en zette het verwachtingsvol voor zich neer op de tafel. Tuan Cahyono ging naast hem staan en keek met kleine glinsterende oogjes toe hoe Dijckman het kistje met trillende vingers van opwinding opende. Cahyono kon een fijne glimlach bijna niet onderdrukken, want hij wist niet alleen wat er ging gebeuren, hij wist ook als enige dat er kopieën van de papieren waren, zelfs Jan van Riebeeck wist dat niet.
Willem Dijckman keek begerig in het kistje. Het was leeg. Dat moet een vergissing zijn, dacht hij en met verbazing keek de assistent naar Jan van Riebeeck die de bewaker een korte knik gaf en voor Willem kon vragen waarom het kistje leeg was voelde hij het koude staal van een kris in zijn rug branden. Een enkele steek was voldoende om hem geluidloos op de vloer ineen te laten zakken.
‘Ik wil geen bloed op het tapijt’, zei Jan van Riebeeck streng tegen de bewaker, die daarop het lichaam van de assistent de gang op sleepte. Geërgerd keek Van Riebeeck naar de dikke plas bloed op een deel van het kleed en depte het met lichte weerzin op met zijn zakdoek. Plotseling kreeg hij een idee. Hij scherpte zijn ganzenveer en doopte die in het bloed dat op het kleed lag en met een duivelse grijns ondertekende hij daarmee zijn document.
Zo, dit zal iedereen afschrikken, dacht hij tevreden en huiverde even over zijn eigen boosaardigheid. De wind deed op hetzelfde moment de luiken klapperen en de olielampen flakkerden wild.
‘Ia akan hujan, het gaat regenen’, zei Tuan Cahyono die de kamer weer geluidloos was binnengelopen.

Hoorn, mei 2012

Professor Johan van Gorssel liep ongerust naar Matthijs die hem al tegemoet liep op het plein tegenover de dependance van het museum in het oude centrum van Hoorn.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg de professor zorgelijk terwijl hij Matthijs de hand schudde.
‘Ik mag er niet in’, zei Matthijs met een somber gezicht. ‘Maar het schijnt dat er vannacht is ingebroken.’
‘Hier in de dependance?’ vroeg de professor vol ongeloof. ‘Dat kan toch niet? Hier wordt alleen onderzoek gedaan, hier liggen geen kostbaarheden.’
‘Nee, ik begrijp het ook niet, ze hebben het museum ontzien.’
Matthijs nodigde de professor uit om op het terrasje op het plein te gaan zitten. Het was nog vroeg en het café was nog maar net open. De blik van de oude Van Gorssel ging kort over het terras. Een paar toeristen zaten koffie te drinken en foto’s te nemen van de politieactie, twee vroege zakenmensen zaten achter hun BlackBerry, een jonge carrièrevrouw zat verscholen achter een laptop en medewerkers van het museum zaten er ontzet bijeen en praatten opgewonden met elkaar. De professor en Matthijs gingen zitten en terwijl Matthijs zijn vierde koffie die ochtend dronk, bestelde de professor voor de schrik een espresso. Vanaf het terras konden ze goed zien wat er aan de overkant gebeurde. Er was toegezegd dat alle medewerkers direct naar binnen zouden mogen zodra de politie het gebouw vrij zou geven en iedereen wachtte vol ongeduld op dat moment, maar daar zag het nog niet naar uit, want mannen in witte overalls en koffertjes in de hand liepen nog steeds af en aan.
‘Het is toch wat’, klaagde de professor. ‘Wat zijn dit toch voor tijden? In al mijn jaren heb ik dit nog nooit meegemaakt. Hoe kan het, juist nu je me hierheen gehaald hebt voor jouw ontdekking.’
Hij nam een slokje van de espresso die zo sterk was dat zijn gezicht ineenkromp en het was of op dat moment beiden een ingeving kregen. Matthijs en de professor keken elkaar aan.
‘Heb je nog met iemand gesproken over je ontdekking gisteren?’ vroeg de professor.
‘Eeh, nee. Alleen met u.’
‘Weet je zeker dat niemand in je computer kan hebben meegekeken of onze chat kan hebben onderschept?’
Matthijs dacht na. Het zou te belachelijk zijn voor woorden als zijn computer was gehackt of het chatbericht zou zijn onderschept, maar zeker weten deed hij het uiteraard niet. Hij was geen computerexpert en hoe onwaarschijnlijk ook, hij wist dat niet met zekerheid en zijn academische instelling had hem geleerd nooit aannames te doen.
‘Je moet er lang over nadenken jongen’, zei Van Gorssel bedrukt. ‘Dat zegt me eigenlijk al genoeg.’
‘Maar dat zou toch onmogelijk zijn’, bracht Matthijs er tegenin. ‘Dan zou iemand altijd mijn email of chat moeten onderscheppen en direct actie hebben ondernomen. Dat kan eenvoudigweg niet.’
‘Als het waar is wat jij hebt gevonden zou dat niet zo vreemd zijn.’ Professor Van Gorssel schoof zijn stoel dichter bij Matthijs en praatte zachtjes verder zodat niemand hen kon horen. ‘Als dit het verloren manuscript van Van Riebeeck is zou het me niet verbazen. Er doen wel wildere verhalen de ronde over dat document want het zou aanwijzingen bevatten naar onmetelijke rijkdom en wereldheerschappij. Al eeuwen gaan er geruchten over dat papier en veel mensen hebben hun zoektocht ernaar met de dood moeten bekopen. Afluisteren van jouw computer of hier inbreken zou me dan ook niet verbazen.’
Matthijs keek de professor meewarig aan. Nu gaat die oude Van Gorssel ook nog geloven in allerhande samenzweringstheorieën, dacht hij, het is maar goed dat hij met pensioen is.
‘Je kent toch wel de geruchten over het verloren document van Jan van Riebeeck?’ vroeg de professor met ingehouden opwinding.
Matthijs schudde zijn hoofd. Hij kende het niet en behalve tijdens de grap tijdens het hoorcollege had hij de professor er ook nog nooit over gehoord.
‘Ik kende alleen de geruchten, maar sinds mijn pensionering ben ik me er in gaan verdiepen, gewoon uit nieuwsgierigheid. Als je gepensioneerd bent hoef je je niets meer van bestaande conventies aan te trekken en kan je onderzoeken wat je wilt, toch?’
Hij wachtte niet op antwoord en ging verder. ‘Het verhaal gaat dat Jan van Riebeeck een belangrijke ontdekking had gedaan tijdens zijn verblijf in de handelspost in Tonquin. Hij heeft de VOC daar nooit over verteld omdat hij verbitterd was omdat hij teruggeroepen werd naar Holland. Om te voorkomen dat het in verkeerde handen zou vallen zou hij de aanwijzingen naar zijn ontdekking verspreid hebben over verschillende plaatsen. Voor zijn zoon heeft hij de locaties van de verschillende plaatsen nauwkeurig opgeschreven, en dat is het verloren document, of de erfenis, van Van Riebeeck.’
Matthijs luisterde er met ongeloof naar. Hij wist niet of hij moest lachen of niet, maar de professor was zo serieus dat hij uit beleefdheid besloot niet in lachen uit te barsten. Hij had dit verhaal nog nooit gehoord en hij vond het buitengewoon ongeloofwaardig klinken en hij schudde dan ook medelijdend zijn hoofd.
‘Je reageert net als ik toen ik het de eerste keer hoorde, maar je moest eens weten hoe er al eeuwen naar gezocht wordt. Mensen zijn er om vermoord!’
‘Als het zo geheim is, hoe komt het dan dat u er zo veel van weet?’ probeerde Matthijs zijn mentors theorie te ontkrachten.
‘Wat denk je dat ik sinds mijn pensionering heb gedaan?’
Matthijs zuchtte en keek naar de dependance van het museum waar de politie nog steeds in en uit liep. Hij had echter wel de indruk dat de mannen in de witte pakken en hun koffertjes bijna klaar waren.
Hij bestelde nog een koffie en zei tegen zijn professor: ‘Als dat allemaal zo is, dan moeten we dat toch aan de politie vertellen?’
‘Nee’, zei de professor geschrokken en hij deinsde even terug bij het idee. ‘Je hebt geen idee van de macht van de zeventien.’
‘De zeventien?’
‘Ja, de Heren XVII !’ zei de professor met ontzag.

Matthijs’ gedachten gingen terug naar zijn studietijd. In gedachten zag hij zichzelf weer in de collegebankjes zitten terwijl de professor vol vuur sprak over de VOC.
Op 20 maart 1602 werd na jarenlange onderhandelingen en nog veel langere onderlinge concurrentie de Verenigde Oostindische Compagnie opgericht. Hierbij werkten verschillende compagnieën samen in één grote organisatie. Zonder deze samenwerking was de concurrentie met Spanje en Portugal niet vol te houden maar het was vooral de felle onderlinge rivaliteit tussen Zeeland en Amsterdam die de prijzen drukte en daarmee ook de winsten. De expedities naar Azië waren bijzonder kostbaar en om de concurrentie met het buitenland aan te kunnen riep Johan van Oldebarneveld al in 1598 een vergadering van de verschillende rederijen bijeen met als doel tot een samenwerking te komen.
Het zou nog vier jaar duren voor de VOC werd opgericht die daarmee het monopolie kreeg voor alle Nederlandse handel en de scheepvaart op Azië. In naam van de Republiek der Nederlanden mocht de VOC oorlogen voeren, verdragen sluiten en de veroverde gebieden besturen. Om de Amsterdamse rederijen en geldschieters niet te veel macht te geven werd de VOC opgedeeld in zes kamers: de Kamer van Amsterdam, Delft, Hoorn, Enkhuizen, Rotterdam en voor Zeeland de Kamer van Middelburg. Elke kamer had haar eigen directie, maar er was ook een overkoepelende directie: de Heeren XVII, die bestond uit afgevaardigden uit de verschillende kamers en deze was zo samengesteld dat de meest invloedrijke kamer, die van Amsterdam, alleen geen meerderheid had.
De Heeren XVII bepaalden het beleid van de Compagnie en vergaderden drie maal per jaar een paar weken lang, afwisselend zes jaar in Amsterdam en twee jaar in Middelburg.
De VOC was lange tijd actief en bijzonder succesvol, tot het na bijna tweehonderd jaar door afnemende winstmarges, oplopende kosten, corruptie en de oorlog met Engeland failliet raakte. Op 17 maart 1798 boden de directieleden hun ontslag aan en werd feitelijk de VOC ontbonden. Dit was tevens het einde van de Heeren XVII.

Het moest een harde, maar ook fantastische en avontuurlijke tijd geweest zijn, dacht Matthijs en nam nog een slok koffie. Hij glimlachte in zichzelf toen hij de bittere drank doorslikte, want koffie was ook een van de handelswaren van de VOC geweest.
Hij knoeide bijna toen hij hard aangestoten werd door de oude Van Gorssel. ‘Hé, zit je weer te dromen?’
Matthijs grijnsde schaapachtig en de professor keek spiedend om zich heen of iemand hen kon afluisteren en schoof dichterbij Matthijs.
‘Als jij denkt dat met het einde van de VOC, ook de Heeren XVII zijn gestopt, dan heb je het fout. Ik heb de laatste jaren voldoende bewijs gevonden dat ze nog steeds bestaan. Het zijn zeventien invloedrijke personen die dit geheime genootschap vormen.’ Hij keek Matthijs veelbetekenend aan.
Matthijs zou in de lach zijn geschoten als de professor hem niet zo ernstig had aangekeken.
‘En wat doen die zeventien dan allemaal?’ vroeg Matthijs uitdagend.
‘Niet spotten jongen, je ziet hiertegenover toch wat er is gebeurd. Ze zijn rijk en machtig en ze willen maar twee dingen: meer macht en meer geld en daarbij zijn ze nietsontziend. Ze hebben overal vertakkingen en hun loopjongens, bij bedrijven, de overheid, ja zelfs tot in de regering en het parlement is hun macht merkbaar.’
‘Professor, nu begint u toch echt een beetje door te draaien.’
Matthijs begon medelijden te krijgen met de professor, maar iets dat hij eerder die ochtend gehoord had zette hem nu toch aan het denken. ‘Wie zijn dat dan, die zeventien?’
‘Geen idee mijn jongen. Als ik dat zou weten zou ik ze kunnen ontmaskeren, want zo’n onzichtbare en ondemocratische macht kunnen we tegenwoordig niet meer hebben. Daar heb ik dus de laatste jaren aan gewerkt, om dat uit te zoeken.’ Hij stak zijn knokige vinger op en voegde eraan toe: ‘En ze zijn niet alleen invloedrijk, maar ook gevaarlijk, kijk maar hoe snel ze jouw document hebben gevonden.’
Matthijs knikte en probeerde de professor te begrijpen. ‘En dat document…’
‘Dat document is nu het lokaas waarmee ik ze kan ontmaskeren. Dat papier belooft geld en macht en dat is precies wat ze willen.’
‘Wat jammer voor u dat het gestolen is vannacht’, zei Matthijs en knikte naar de overkant waar de politie aan het afronden was, ze rolden de plastic afzettingslinten op.
‘Wie zegt dat het gestolen is? Je bent toch nog niet binnen geweest?’ zei de professor geschrokken.
‘Dat is zo’, twijfelde Matthijs even. ‘Maar als het waar is wat u zegt, dan zullen ze het wel gestolen hebben. Als het niet waar is wat u zegt, ligt het er nog.’
De professor dacht na en knikte.

Ondanks dat enkele afzettingslinten werden verwijderd en de mannen in witte pakken goeddeels vertrokken waren, werd al snel duidelijk dat de dependance de rest van de dag gesloten zou blijven voor alle medewerkers. Experts van de politie en de verzekeringsmaatschappij hadden nog volop werk en daarop besloot professor Van Gorssel maar onverrichterzake terug naar huis te gaan. Voordat hij opstapte gaf hij Matthijs nog een ernstige waarschuwing uit te kijken voor de XVII, want als ze het document nu nog niet zouden hebben, zouden ze niet stoppen voor het in hun bezit was.
Nadat Matthijs de professor op de trein had gezet wandelde hij terug naar de dependance van het Westfries museum. De politie was er nog steeds bezig en op de deur was een papiertje geplakt met daarop een haastig geschreven boodschap met de melding dat ze wegens omstandigheden gesloten waren. Matthijs herkende het handschrift van mevrouw Donkers.
Daarna liep hij weer naar het terras en ging bij het tafeltje staan waar de carrièrevrouw nog steeds achter haar laptop verscholen zat. Naast haar had ze een glas verse muntthee staan.
‘Is deze plaats vrij?’ vroeg Matthijs met een glimlach.
De vrouw keek op van haar laptop. Het was Esther.
‘Natuurlijk, gaat u zitten’, nodigde ze hem uit.

Lees verder

Klik hier voor de volgende twee hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*