XVII – 2

XVII – 2

Alle (ja ALLE) rechten (c) E. Melisie 2013
Dit is het tweede deel van de voorpublicatie van de thriller XVII. Het eerste deel kan hier gelezen worden.
Multimedia tip: Luister tijdens het lezen ook even naar de Spotify Playlist.

Hoorn, mei 2012

‘Matthijs, telefoon voor je.’
Matthijs keek verstrooid op van zijn werk. Mevrouw Donkers stond naast hem met een telefoon. Ze zag eruit alsof ze hem al een paar keer tevergeefs had geroepen.
‘Iemand vraagt naar jou.’
‘Wie dan?’ vroeg Matthijs en hij trok een moeilijk gezicht. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand hem hier zou bellen.
‘Een zekere Esther’, zei mevrouw Donkers veelbetekenend en voegde er plagerig aan toe: ‘Ik wist niet dat je verkering had.’
Matthijs schudde zijn hoofd. ‘Ik ken geen Esther’, zei hij en nam de telefoon aan.
‘Met Matthijs Brink’
‘U spreekt met Esther Broding, ik heb uw naam op internet gevonden. Klopt het dat u alles weet van oude handschriften uit de tijd van de VOC?’
‘Alles is een beetje veel’, zei Matthijs en onderdrukte een glimlach. ‘Maar hier in het Westfries Museum ben ik wel de specialist op dat terrein, dat klopt.’
‘Ik denk een oud document van Jan van Riebeeck te hebben, ik zou daar graag uw oordeel over hebben.’
‘Ik denk dat u beter naar een antiquair kunt gaan, wij nemen eigenlijk geen opdrachten van particulieren aan.’ Matthijs draaide met zijn ogen, nam een slok koffie en bedacht zich hoe hij de vrouw af kon wimpelen.
‘Ik ga niet naar een antiquair, ik denk dat u dit wilt zien, het is een onbekend document van Van Riebeeck.’
Matthijs gedachten dwaalden kort af toen hij dit hoorde en zag zichzelf weer in de collegebanken zitten waar zijn professor tijdens een hoorcollege eens terloops deze documenten had genoemd. Het zou het wereldbeeld veranderen en de locatie van onbegrensde rijkdommen aangeven. Het was natuurlijk een grap geweest want zulke papieren bestaan uiteraard niet wist Matthijs maar de vrouw drong aan en om van haar af te zijn zegde hij uiteindelijk toe. Laat ik het maar zien als een welkome afwisseling, dacht hij.
Hij keek in zijn lege agenda en stelde voor dat ze de volgende dag om twaalf uur de papieren zou kunnen laten zien.
Mevrouw Donkers nam met een veelzeggende glimlach de telefoon weer terug.
‘Zo’, zei ze, ’je hebt een date?
Matthijs schudde heftig zijn hoofd. ‘Nee, ik weet niet eens wie ze is’, en hij boog zich een beetje verlegen weer over zijn werk.

Precies op het afgesproken tijdstip van twaalf uur kreeg Matthijs de volgende dag een telefoontje van de receptie.
‘Uw bezoekster staat bij de receptie.’
‘Ik kom er aan’, zei Matthijs en liep de koele ondergrondse onderzoeksruimte uit, een gang door, een trap op en naar de receptie waar hij vragend om zich heen keek.
De enige onbekende was een knappe vrouw met lang donkerblond haar dat in een staart was gebonden en afstak tegen haar witte bloes. Matthijs schatte haar op een jaar of vijfentwintig. Hij slikte. Dit zal toch niet mijn bezoek zijn, dacht hij en struikelde bijna over zijn eigen benen toen hij op haar toe liep.
‘Esther Bording?’ vroeg hij voorzichtig.
De vrouw keek op en corrigeerde hem. ’Broding, dat ben ik. U bent Matthijs Brink?’
Ze schudden elkaar de hand waarbij het Matthijs opviel dat de vrouw zachte, slanke handen had die toch krachtig waren en hij begeleidde haar naar een spreekkamertje dat sinds dertig jaar niet meer van interieur was veranderd. Matthijs zag de fijne wenkbrauwen van Esther in een verraste frons optrekken en hij verontschuldigde zich.
‘We hebben niet veel geld, we zijn een museum en afhankelijk van subsidies en giften, weet u. Wilt u iets drinken?’
De vrouw wilde graag thee en nadat Matthijs thee voor zijn gast en koffie voor zichzelf een beetje onhandig uit de automaat had gehaald nam hij tegenover de vrouw plaats.
‘Zegt u het eens’, zei Matthijs onzeker. Nu de vrouw tegenover hem zat voelde hij zich niet erg op zijn gemak. Esther was te mooi en te zelfverzekerd voor hem. Hij voelde zich beter thuis in een ondergrondse kamer samen met oude kaarten en documenten dan in het gezelschap van een vrouw. Gelukkig leek ze het niet te merken of deed ze alsof en tot Matthijs’ geluk kwam ze direct ter zake.
‘Ik heb onlangs uit een soort erfenis een document gekregen dat ik aan u wil voorleggen.’
Matthijs knikte. ‘Hoe bent u aan mijn naam gekomen?’
‘Ik heb het document zelf eerst bestudeerd en op internet gezocht wie ik hierover het beste kan benaderen. Aangezien u een expert bent op het terrein van VOC manuscripten dacht ik meteen aan u. Bovendien is het niet ver, ik woon ook in Hoorn.’
Matthijs schoof ongemakkelijk op zijn stoel, was er iets dat deze vrouw niet over hem wist? Bovendien vond hij zichzelf geen expert op dit terrein. Zijn mentor en professor wist veel meer en had veel meer ervaring op dit gebied. Hoewel hij sinds twee jaar gepensioneerd was, deed hij nog veel onderzoek en verrichte belangrijke werkzaamheden voor het museum, maar vanwege zijn pensioen stond hij waarschijnlijk niet meer op de website van het museum.
‘U heeft het bij zich?’ vroeg Matthijs.
De vrouw bukte naar haar tas en haalde daaruit een doorzichtige plastic map met daarin een papier dat ze plechtig voor Matthijs op tafel legde.
Matthijs keek heel even recht in de donkergroene ogen van de vrouw en voelde zich nog ongemakkelijker en hij richtte daarom zijn blik snel op het papier. Dat was veilig en vertrouwd.
Zijn kennersblik richtte zich direct op de eigenschappen van het papier en het handschrift. Hij had de afgelopen jaren al zo veel documenten gezien die niet echt waren, dat hij ook nu een vervalsing verwachtte. Er was op de zwarte markt vraag naar oude documenten. Deze waren bijzonder gewild als belegging, met name om zwart geld wit te wassen. Deze vraag had de prijs opgedreven en dat had weer tot gevolg dat er een groot aantal valse documenten in omloop waren.
Dikwijls was Matthijs’ expertise gevraagd als de koper twijfelde over de echtheid en meestal kon Matthijs bijna direct vaststellen dat het een falsificatie betrof. Papier, en ook perkament is kwetsbaar en vergankelijk en er zijn daarom niet veel oude geschriften meer over. De meeste daarvan liggen onder gecontroleerde omstandigheden veilig opgeslagen in de catacomben van de diverse musea.
Matthijs liet zijn oog over het document gaan. Op het eerste gezicht leek het inderdaad echt te zijn en hij boog zich wat dieper over het papier.
‘Mm’, zei hij zacht in zichzelf. ‘Op het eerste gezicht lijkt het geen vervalsing te zijn. Hoe komt u eraan?’
‘Zoals ik al zei, een soort erfenis dat al lang in handen van onze familie is.’
Matthijs keek de vrouw wantrouwend aan. Het zal toch niet gestolen zijn, dacht hij. Esther leek zijn gedachten te kunnen lezen en een glimlach verscheen kort op haar gezicht.
‘Het is uiteraard niet gestolen’, zei ze koeltjes. ‘Het is al vele generaties in mijn familie, maar ik wil er nu wel eens het fijne van weten. Volgens mijn moeder is het papier vervloekt, maar ik geloof niet in vervloekt papier.’ Ze zweeg even en vervolgde. ‘Gelooft u wel in vervloekte papieren, meneer Brink?’
Matthijs’ aandacht was alweer bij het document. Hij schudde zijn hoofd en boog zich weer over het papier.
Hoewel een leek het niet snel zal opvallen, is oud papier totaal anders van structuur dan modern papier. Vroeger werd papier van vodden en lompen gemaakt, tegenwoordig van houtvezels. Bovendien heeft papier uit de tweede helft van de zeventiende eeuw een typische structuur, omdat later – door technische vernieuwingen – de papierproductie veranderde. Ook de watermerken uit die tijd zijn vaak complex en fijn. Matthijs nam dit allemaal mee in zijn overwegingen. Uiteindelijk zou een röntgenonderzoek definitief kunnen vaststellen of dit stuk papier daadwerkelijk oud was, maar het had er op het eerste gezicht alle schijn van.
‘Denkt u dat het echt geschreven is door Van Riebeeck?’ vroeg Esther een beetje ongeduldig.
‘Eeh, ik ben nog niet aan de tekst toegekomen, ik bestudeer alleen nog maar het papier’, zei Matthijs een beetje verstrooid. Hij was de aanwezigheid van zijn gast al bijna vergeten en hij begon nu weer nerveus op zijn stoel te schuiven. ‘Ik zal de tekst even bestuderen’, zei hij zo zakelijk mogelijk.
Matthijs bestudeerde eerst de inkt, die behoorlijk was uitgelopen en vervaagd. Dit was geen probleem. Oude handschriften hadden dit vaak. De combinatie van ouderdom, papier en inkt zorgde er soms voor dat het handschrift of de tekeningen langzaam gingen uitlopen. Het bevestigde alleen maar zijn vermoeden dat dit daadwerkelijk oud kon zijn, of een hele goede vervalsing.
De tekst zei hem op eerste lezing weinig, het was een vage referentie naar andere plaatsen en gebeurtenissen en had niet zijn eerste aandacht. De ondertekening was echter bijzonder interessant, Jan Van Riebeeck. Als dit document echt zou zijn zou het van groot historisch belang zijn, wat er verder ook te lezen stond op het papier.
‘Zestienhondervijfenzeventig’, zei hij zacht in zichzelf. Dat moet hij dan een paar jaar voor zijn dood geschreven hebben, in Batavia. Het handschrift was krullerig en sierlijk zoals men toen schreef, maar hij had mede dankzij zijn professor voldoende geschriften van Van Riebeeck gezien om het handschrift te herkennen. Dit kon wel eens echt zijn, dacht Matthijs, maar hij probeerde niet direct enthousiast te worden, hij was een wetenschapper die eerst het bewijs wilde hebben dat het echt was.
‘Het ziet er op het eerste gezicht interessant uit, maar om meer zekerheid te hebben zal ik het in het laboratorium moeten onderzoeken. Ook zou ik graag een collega willen consulteren die hierin gespecialiseerd is.’
‘U bent toch de specialist, dacht ik?’ zei de vrouw wantrouwend.
‘Dat is zo, maar de collega die ik op het oog heb is gepensioneerd maar weet ook bijzonder veel over deze periode.’
‘Goed dan, wanneer zullen we weer afspreken?’ Terwijl ze dit zei nam ze het papier weer terug.
‘Ik zou dit graag hier laten voor verder onderzoek, als het echt is, is het veel te kostbaar en kwetsbaar om zo mee over straat te lopen.’
‘Mm’, Esther twijfelde even. ‘Vooruit dan, maar ik wil dat het veilig wordt opgeborgen, op een plek die u alleen kent. Binnen mijn familie gaan er veel verhalen over dit document en het schijnt nogal gewild te zijn. Ik heb dan ook liever niet dat u er met iemand anders over praat.’
Matthijs begreep het niet helemaal, maar stemde ermee in, op voorwaarde dat Esther hem voortaan niet meer met u wilde aanspreken. Hij voelde zich daar heel ongemakkelijk bij.
‘Je belooft het dus op te bergen op een veilige plaats die jij alleen kent?’
‘Dat beloof ik’, zei Matthijs plechtig. Hij begreep niet waar Esther op doelde, maar hij vond het prima, want dan kon hij ongestoord dit document samen met zijn mentor onderzoeken.
‘Mooi dan, als jij je belofte houdt dan neem ik de volgende keer ook het tweede document mee.’
Ze knipoogde kort toen ze dit zei, stapte op en voordat Matthijs wat had kunnen vragen over het andere document was ze de spreekkamer al uitgelopen. ‘Ik bel je over twee weken wel op’, zei ze nog over haar schouder en ze pakte haar telefoon, deed de witte oordopjes in haar oren en stapte zelfverzekerd de deur van het museum uit.
Matthijs staarde haar verbluft na. Geen van beiden kon weten dat ze elkaar veel sneller weer zouden zien.

Hoorn, 24 november 1942

‘Aufmachen’, donderde een stem, gevolgd door een luid gebonk op de deur.
Dirk en Geertruida Broding keken elkaar met grote ogen aan, Geertruida had van schrik een steek laten vallen van haar breiwerk. Dat de moffen zo laat op de avond kwamen kon nooit veel goeds betekenen. Dirk stond op en liep zo snel hij kon naar de deur. Het leek hem gevaarlijk om spelletjes te spelen met de ongenode gasten. Bovendien had hij niets te verbergen.
Met bonzend hart opende hij voorzichtig de deur, maar deze werd van buiten uit opengeduwd zodra hij ontgrendeld was en een aantal Duitse SS-ers stormden naar binnen, waarbij ze Dirk omver liepen. Ze begonnen direct in het huis rond te kijken en alles overhoop te halen. Bertje van drie jaar schrok zo dat hij begon te huilen, waarop Annemieke, net een jaar oud, in haar wiegje ook begon te huilen.
De harde soldatenlaarzen dreunden op de vloer en de mannen lieten er geen twijfel over bestaan dat ze iets zochten. In de kasten, achter de bank, onder het kleed, overal zochten ze, zonder daarbij acht te slaan op de rommel die ze maakten en de spullen die kapot vielen.
‘Wo sind die Papiere?’ schreeuwde de SS-officier dreigend tegen Dirk.
Dirk trok bleek weg en met trillende vingers pakte hij zijn persoonsbewijs uit de binnenzak van zijn versleten colbert.
‘Nein!’ schreeuwde de officier en gaf Dirk een vuistslag in zijn buik. ‘Die Von Riebeeck Papiere!’
Ineengedoken hapte Dirk naar lucht en nadat Geertruida de huilende Annemieke uit haar wiegje had getild liep ze naar haar man om hem overeind te helpen. De huilende Bertje hing aan haar benen.
‘Was meinen Sie?’ vroeg Geertruida bits en hielp haar man.
‘Raus!’ De officier duwde het gezin hardhandig naar buiten. Het was een koude, heldere avond en het ongelukkige gezin zag in de verduisterde huizen tegenover hen mensen voorzichtig naar buiten gluren. Voor hun huis stonden een vijftal soldaten de omgeving te bewaken.
‘Wat zoeken ze?’ vroeg Geertruida met tranen in haar ogen.
‘Ik weet het niet’, zei Dirk wanhopig. Hij sloeg zijn armen beschermend om zijn gezin heen en klappertandend van de kou en spanning wachtten ze op wat er gebeuren zou. Vanuit het huis klonken geluiden van vallend huisraad en vaatwerk dat kapot viel. Af en toe vloekten de SS-ers, tot de officier weer naar buiten stapte. Hij pakte zijn pistool en richtte dat dreigend op Geertruida die daarop onbedaarlijk begon te huilen.
‘Wo sind die Papiere von Von Riebeeck?’ vroeg de officier langzaam articulerend aan Dirk.
Dirk schudde over zijn hele lichaam en haalde schokkerig zijn schouders op. Zijn Duits was slecht en hij had geen idee wat ze zochten. Hij begreep dat ze zijn papieren wilden zien en die had hij nog steeds in zijn vingers geklemd. Met trillende vingers liet hij weer zijn identiteitsbewijs zien. De officier griste het uit zijn handen en bekeek het nauwkeurig.

Sinds april van het jaar ervoor was iedere Nederlander van veertien jaar en ouder verplicht om een persoonsbewijs bij zich te dragen. Behalve een foto stond op het papier een vingerafdruk, de woonplaats, de naam en het geslacht van de eigenaar. Het papier was ontworpen door de ambtenaar Jacob Lentz. Al voor de Duitse inval had hij het Nederlandse bevolkingsregister opgezet en hij was al voor de oorlog enthousiast geweest over een identificatieplicht, maar dat werd door de regering afgewezen omdat men niet elke inwoner als een potentiële misdadiger wilde zien.
Lentz bleef echter voorstander en toen de Duitsers tijdens de bezetting hem vroegen een persoonsbewijs te ontwikkelen stortte hij zich daar dan ook met groot ijver op. Overtuigd dat Duitsland de oorlog zou gaan winnen ontwikkelde hij het beste persoonsbewijs van alle bezette gebieden, beter zelfs dan de Kennkarte die de Duitsers in hun eigen land bij zich moesten dragen en dit Nederlandse identiteitsbewijs kon door het verzet nooit echt goed vervalst worden. In zijn onnadenkend perfectionisme had Lentz een combinatie van een niet te vervalsen persoonsbewijs en een sluitend bevolkingsregister gemaakt. Een combinatie die voor vele duizenden Nederlanders en Joden dodelijk bleek.

Het was dit persoonsbewijs dat Dirk aan de SS-officier had gegeven. De man keek er met een minachtende blik naar.
’Broding?’ vroeg de officier streng.
Dirk knikte.
Met minachting duwde de SS-er het persoonsbewijs terug in Dirks trillende vingers.
‘Es gibt hier nichts, wir sind falsch informiert vom Antiquar’, zei een SS-er die vanuit het huis naar buiten kwam.
‘Das wird der Führer aufregen’, mopperde de officier en blafte naar Dirk: ‘Sie bleiben Verdächtige’
Hoewel Dirk geen idee had wat er aan de hand was begreep hij wat de officier had gezegd, hij bleef een verdachte. Maar waarvan?
Even later reden de Duitsers weg en stond het gezin Broding ontzet in hun huis waar alles overhoop was gehaald en veel van de huisraad kort en klein was geslagen.
‘Wat wilden ze toch?’ vroeg Dirk wanhopig en met tranen in zijn ogen.
‘Ik weet het niet’, huilde Geertruida en wilde beginnen om het huis op te ruimen maar wist niet waar ze moest beginnen. De rommel was niet te overzien, alles was overhoop gehaald, ze hadden zelfs de kolenkit leeggegooid en het kruis dat aan de muur hing lag nu ergens op de grond.
Bertje was totaal overstuur en hoewel ze nog maar heel klein was, had ook Annemieke de spanningen aangevoeld en was ontroostbaar. Om weer een beetje orde in hun leven te krijgen begon Geertruida haar dochtertje in bed te stoppen. In het slaapkamertje van de kinderen zette ze het wiegje weer overeind en legde het matrasje en de dekentjes er weer in en stopte haar dochtertje lekker in. Ze zong een slaapliedje om haar te troosten, maar ze troostte daarmee vooral zichzelf. Halverwege stopte ze echter abrupt, een ijzige kou overviel haar en zwarte vlekken dansten voor haar ogen.
Ze besefte plotseling wat het was waarnaar de Duitsers gezocht hadden en met hevig trillende vingers ging ze op de tast onder het matrasje op zoek naar de naad van het luikje. Bijna direct vond ze het en overmand door emoties barstte ze in huilen uit.

Hoorn, mei 2012

Matthijs dacht na over het document. Esther Broding had enkele uren geleden het document aan hem toevertrouwd en hij staarde er nu met ongeloof naar. Hoe kon deze vrouw aan een oud document van Van Riebeeck komen? Bovendien had ze gesuggereerd dat ze er nog een zou hebben. Hij had een beetje overmoedig aangeboden het papier wel even te gaan onderzoeken, maar hij wist dat dit niet zo eenvoudig uitvoerbaar was als hij had doen voorkomen. Een röntgenonderzoek was kostbaar en moest ruim van tevoren ingepland worden. Bovendien had de vrouw liever niet gehad dat anderen er vanaf zouden weten. Voor een röntgenonderzoek was dat uitgesloten, dan zou direct het hele museum er vanaf weten.
Het papier intrigeerde hem. Waarom was het ondertekend met een andere kleur inkt? In plaats van met zwarte inkt zoals de rest van het document, was het ondertekend met een vaalbruine kleur. De tekst was door de enigszins uitgelopen inkt lastig te lezen, maar hij had het op zijn notitieblok geprobeerd te ontcijferen en hij staarde nu naar zijn eigen aantekeningen. Vol krabbels en doorhalingen had hij de tekst geprobeerd zo nauwkeurig mogelijk over te schrijven. Hij keek nogmaals naar de tekst.

Dit is de verwijzing naar de verblijfplaets van mijn belangrijckste advises ean den heeren bewinthebberen over den handle in Tonkin, welcke nooit openbaer is gemaakt aan den Compagnie.
Deesen verblijfplaets is aengegeven op den bijbehorenden kaerten die ick door mijnen
assistent secretaris Dijckman van de Hooghe Regeering te Batavia in drie plaetsen die mij van belangh seijn verdeelt hebbende, seijnde Hoorn, Casteel de Goede Hoop, ende Malakka.
Desen nooit geopenbaerde advises sal tesamen de vintplaets van grote rijckdom aangeven en sal den vinder grote magt brenghen ende werelt veranderen. Daervoor sult dit verborghen blijven voor den Compagnie ende den Enghelsen.

Dit alles was geschreven in sierlijke krulletters. Er stond nog meer maar dat was zo slecht te lezen dat het nog niet te ontcijferen was en ook de tekst die hij nu op zijn notitieblok las was aangevuld met aannames. De hele tekst was in roestbruine inkt ondertekend met Jan Anthonisz. van Riebeeck. Het jaartal was 1676.
Matthijs krabde zich op zijn hoofd en wist niet wat hij hiervan moest denken. Hij probeerde zich de carrière van Jan Van Riebeeck te herinneren en hoewel hij er veel van wist, besloot hij zijn mentor te bellen. Als iemand veel van de VOC in het algemeen en Van Riebeeck in het bijzonder wist, was hij het wel.

Professor Johan van Gorssel had Matthijs tijdens zijn studie begeleid en werd internationaal beschouwd als de expert op het terrein van de vroege geschiedenis van de Verenigde Oostindische Compagnie. Hoewel hij sinds enkele jaren met pensioen was, was zijn licht gebogen en magere gestalte graag gezien in verschillende musea in de wereld en het Westfries Museum in Hoorn in het bijzonder. Hij had in de loop der jaren een enorme ervaring opgedaan en zijn mening werd hoog gewaardeerd en zelden betwist.
De man met de spitse neus en dunne lippen zat in zijn huis in Alkmaar achter zijn laptop te werken aan een onderzoek toen hij een berichtje ontving van zijn meest briljante leerling Matthijs Brink.
‘Goedenmiddag professor’, stond er.
Johan streek zijn handen door zijn dunne haar, glimlachte en typte snel een antwoord: ‘Goedenmiddag dr. Brink waaraan heb ik dit genoegen?’
‘Ik wil u graag een manuscript voorleggen dat ik zojuist heb gekregen. Wanneer heeft u tijd om langs te komen in het museum?’
Professor Van Gorssel dacht even na. Het gebeurde niet vaak dat Matthijs hem vroeg langs te komen voor een manuscript. Het moest vast belangrijk zijn. Hij bladerde even in zijn agenda en zei dat hij halverwege de volgende week wel tijd had.
‘Ik zal het u even laten zien op de webcam’, typte Matthijs. ‘Het is een manuscript dat wellicht van Jan Van Riebeeck is en het ziet er authentiek uit.’
De professor keek verrast op. Een origineel handschrift van Van Riebeeck is niet iets dat dagelijks gevonden wordt en opgewonden vergrootte hij het beeld van de webcam die Matthijs had ingeschakeld. Doordat er te weinig licht was, was het beeld korrelig en waren er weinig details te zien, daarvoor was het handschrift te oud en te fijn.
‘Matthijs, kan je misschien een foto maken en die mailen?’
Het beeld werd even zwart. In het museum maakte Matthijs onprofessioneel maar heel snel een foto met zijn telefoon. Om het document te vrijwaren van beschadigingen door licht had hij de flits uitgezet en ook na een paar pogingen bleef het beeld daardoor grof en niet scherp genoeg naar zijn zin. Matthijs zocht de beste foto uit en stuurde die naar zijn mentor.
Johan van Gorssel opende de bijlage met groeiende spanning. Wat als het echt zou zijn, dacht hij.
Zodra de foto op zijn scherm te zien was slaakte de professor een kreet. Hoe matig de opname ook was, voor zijn kennersblik was het voldoende. Even overwoog hij om direct naar het museum te gaan, maar hij bedacht zich en met trillende vingers van opwinding typte hij naar Matthijs het bericht dat hij de volgende ochtend direct zou komen.
‘Dat is mooi, ik zal er zijn’, typte Matthijs.
‘Hoe ben je er aan gekomen?’
‘Gekregen van Esther Broding, een jonge vrouw die het vandaag kwam brengen. Ze zei er misschien nog een te hebben.’
Het hart van professor van Gorssel sloeg een keer over. Dit kon wel eens zijn waar hij al jaren naar gezocht had en een nieuw soort opluchting maakte zich van hem meester. Hij liet zich opgetogen achterover zakken in zijn stoel en werd bijna overmand door ontroering maar wist zichzelf snel onder controle te krijgen.
Niet te vroeg juichen, dacht de wetenschapper in hem, het is nog niet zeker dat het echt is, maar stel dat dit het verloren document van Van Riebeeck is… dan is dit de vondst van de eeuw.
‘Kan je lezen wat er staat?’ typte hij met trillende vingers en wachtte gespannen op Matthijs’ antwoord.
‘Deels, maar ter wille van de objectiviteit mag u dat zelf lezen.’
Ha ha, dat is Matthijs, dacht de professor. Academisch correct als altijd.
Plotseling bedacht hij zich dat als dit het verdwenen document van Van Riebeeck was er meer mensen belangstelling zouden hebben, veel meer mensen en er was al veel bloed gevloeid om dat vervloekte document. Matthijs had misschien wel een van de meest gewilde, maar daardoor ook een van de gevaarlijkste papieren die de professor kende in handen.
Snel typte hij: ‘Ik zie je morgenochtend, spreek er met niemand over, let ook op je telefoon en je computer. Je weet nooit wie er meeluistert of meekijkt.’
‘Wat bedoelt u?’ typte Matthijs, maar de professor nam het zekere voor het onzekere en verbrak tot verbazing van Matthijs de internetverbinding.

Toen professor Van Gorssel de volgende dag naar de dependance van het museum liep zag hij al van ver dat er iets niet klopte. De straat was met linten afgezet en er stonden politieauto’s dwars op de straat, hun felle blauwe zwaailichten zwaaiden waarschuwend door de straten.

Lees verder

Klik hier voor de volgende twee hoofdstukken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*